De leer der Verbonden - pagina 160
150
En zoo ook als ge dood heet naar het leven des lichaams, dan wil dat volstrekt niet zeggen: „mijn lichamelijk leven bestaat niet meer", maar omgekeerd: „dat lichamelijk leven bestaat nog wel derdege", maar het werkt door hartstocht en krankheid tegen mij in. En komt het op een verscheiden, dan heeft er wel een tijdelijke blussching altijd zoo, dat het eens eeuwig terugkeert, om schriklijkheden eerst recht te doen ervaren, wat het eeuwig verkeeren in een dood lichaam is. De mensch mag wel gedeeld, maar nooit gesplitst worden. Hij blijft drievoudig naar lichaam, ziel en geest bestaan. En zoo ook, de mensch kan noch mag ooit los worden gedacht uit zijn verband, 'tzij met de zichtbare wereld, 'tzij met de onzichtbare
van
plaats,
mij
in
maar toch
helsche
'tzij met den levenden God. Die banden zijn onverbrekelijk. En „dood" wil dus niet zeggen: „niet meer bestaan", maar „valsch bestaan, verkeerd bestaan, op verdorvene en verdervende wijze bestaan; zoo dat die zichtbare wereld ons een kwelling, de onzichtbare wereld een plage is en God ons
wereld,
door zijn toorn verteert." Terwijl omgekeerd, „leven" niet zeggen wil „beginnen te bestaan", maar beduidt: „zoo te bestaan, dat én die zichtbare én die onzichtbare wereld én de levende God zuiver, ongestoord en zaligmakend werken op het bestaan van ons lichaam, op het bestaan van onze ziel en op het bestaan van onzen geest." Daarom dan ook zal er geen volle ongemengde dood zijn dan in de hel, en daarom ook kan noch zal er vol en ongemengd leven zijn dan in de heerlijkheid van het Jeruzalem Gods. Maar voor de zaak als zaak doet dit er niets toe. Bij al de verminkte tusschentoestanden hebben we ons hier niet op te houden. Het komt er hier maar op aan, zuiver het begin en zuiver het einde :
te vatten.
En dan zeggen we van het begin: Adam in den staat der rechtheid had niet maar een bestaan, maar een leven. Dat wil dus nu zeggen: God schiep Adam volstrekt niet neutraal, hangende tusschen dood en leven. Neen,
om
hij
had
leven.
maar een lichamelijk bestaan, maar dat bestaan van zijn lichaam was in orde, was zooals het hoorde, in harmonie met de zichtbare wereld om hem heen, zonder verstoring, belemmering of tegenstrijdigheid. En zoo ook, hij Hij had,
het duidelijk te omschrijven, niet
had niet maar een zielsbestaan, maar dat bestaan van zijn ziel was in orde, was zooals het hoorde, en al zijn gevoelen, denken en willen in harmonie met de onzichtbare redelijke en zedelijke wereldorde, zonder verstoring, belemmering of tegenstrijdigheid. En zoo ook eindelijk had Adam niet maar een geestelijk bestaan met de mogelijkheid om God lief te hebben, neen maar ook dat geestelijk bestaan was zooals het hoorde, met oorspronkelijke gerechtigheid versierd, in harmonie
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's