Het heil in ons - pagina 147
:
137 kind van God wel kleine en onbeduidende, maar geen doodelijke zonden, geen „zonde tot den dood" begaat, en dat de apostel alleen op die laatste ontzettende uitbarstingen der zonde het oog zou hebben, "We zeggen óók niet, dat dit „niet zondigen" van den apostel op „Er zijn doorgaanden levensstand ziet, als wilde Johannes zeggen komen wel uitzonderingen voor, maar zijn gewone leven staat buiten de sfeer der zonde." En evenmin zoeken we ons te redden door den apostel de meening toe te dichten, als had hij bedoeld: „Aan zonde in den wettelijken zin staat hij niet meer schuldig, al komt hij nog wel te kort, vaak veel te kort, in de liefde en den ootmoed." Zie veeleer verwerpen we al deze halfslachtige uitleggingen als onwaar, onmanlijk en ongenoegzaam, wijl we bij eigen droeve ervaring weten, dat ze toch niet bevredigen en de ziel in spanning laten, en eenvoudig ten gevolge hebben, dat de meeste Christenen maar voortleven en voortdenken, als had Johannes zijn apodictisch „niet-zondigen," nimmer ten papiere gebracht, en voorts, komen ze er bij het lezen aan toe, er met een zucht over heenlezen. Een zucht, waarin ze de droeve bekentenis zich ontglippen laten: „Och, stonden die zonderlinge woorden er maar niet. Op mij kunnen ze geen vat krijgen en :
word zoo nooit!" Terdege, wat Johannes zegt, op het woord af, nemen gelijk het er staat, is tegen deze ziekelijke lafheid het eenig afdoend geneesmiddel. Metterdaad, het is zooals Johannes zegt: „Een kind van God doet zelf de zonde nooit'' En dit moet betuigd en moet beleden, niet wijl de ervaring het ons zoo leert. Integendeel, door de ervaring komen we schijnbaar tot een geheel andere slotsom. Maar moet beleden, „omdat niet kan zondigen wie eenmaal uit God geboren is," d. w. z. beleden, wijl het tegendeel eenvoudig onmogelijk zou zijn. Letterlijk dus hetzelfde, als wat Jezus gezegd heeft: „Uit een goeden boom kan geen kwade vrucht voortkomen," een woord dat men ook al gewoon is, zeer onschriftuurlijk, naar eigen inzicht te
ik
verdraaien.
Meestal toch maakt
men
hier zoo iets van, alsof Jezus gezegd
„Een goede boom begint met te
brengen.
komt
er
een
Van tijd,
lieverlede
dat
eerst
nog
komen
er
er niet
had
kwade vruchten voort dan meer goede. En eindelijk al
veel
dan goede vrucht aan
zit."
Lijnrecht
dus het tegendeel van wat Jezus beweert. Neen, de Heere zegt wel zeer stelliglijk, wat bovendien ieder boomkweeker weet, dat aan een tammen boom geen wilde vrucht komen kan. Dat „het onmogelijk is ooit of immer druiven te lezen van distelen," maar ook even onmogelijk, wilde vruchten in te zamelen van een tam en deugdelijk geënt lot. Dat er wormstekige, bedorven, onooglijke vruchten ook aan den
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's