Het heil in ons - pagina 139
;
129 hierin weer den te kleinen eerbied verrieden, dien men bij deze lieden steeds kan waarnemen ten opzichte van Gods
ook
óvergeestelijke
Heilige Schrift. Er is toch van hun beweren en voorgeven eenvoudig niets aan. Ja, zóó weinig aan, dat noch in het eene noch in het andere Schriftwoord van een overwinning op de zonde, van een „zedelijk" kunnen, van een triomf op vleesch en zinnenlust, ook maar sprake is. Wat toch is het geval? Het woord van Jezus, waarop men zich beroept, en dat Marcus 9 23 voorkomt, slaat uitsluitend op de macht om kranken te genezen. :
Het was na de verheerlijking op den Thabor; toen Jezus, van den berg afgedaald, te midden der aangroeiende menigte, dien diep ellendigen jongeling vond, dien maanzieke, die, zich scheurende en wentelende in zijn schuim, daar als een toonbeeld van mensclielij ken jammer op den grond lag te stuiptrekken, en voor wien zijn vader bad en de handen wringend Jezus smeekte: „Och, Heere, zoo Gij iets kunt, wees met innerlijke ontferming over ons bewogen en help ons !" En op die vraag nu volgt onmiddellijk dit antwoord van Jezus: „Zoo gij kunt gelooven, alle dingen zijn mogelijk dengene die gelooft." Nu wete men hierbij dat dit antwoord naar een juistere vertaling en volgens zuiverder tekst aldus komt te luiden: „Gij zegt mij: Zoo gij iets kunt, o, alle dingen zijn mogelijk ten behoeve van dengene
—
die gelooft."
De ongelukkige vader dacht dat het aan het „kunnen" van Jezus En nu antwoordt Jezus hem: Twijfel daar niet aan; ik kan altijd
lei.
de
vraag
is
zeer
maar of gij kunt, namelijk of gij kunt wonder der genezing te doen is in mij aanwezig. Maar die macht op zich zelve is nog onvoldie macht mijnerzijds kunnen werken, dan moet er uwerniet
of ik kan,
De macht om
gtlooven.
stellig
het
doende. Zal zijds aan de voorwaarde van geloof voldaan worden. En gelijk we elders lezen „dat Jezus aldaar geen teekenen doen kon vanwege hun ongeloof," zoo voegt Jezus in geheel gelijken zin dien bijna vertwijfelenden vader toe: „Vraag mij niet of ik kan genezen, maar laat mij u vragen of gij kunt gelooven, want alleen dan kan mijn wonderkracht werken; maar zóó, dat ze onder die voorwaarden dan ook stellig werkt: want alle dingen zijn mij mogelijk, als ik te doen heb
met iemand
En
dat
die gelooft." dit
en
dit alleen
de juiste verklaring van Jezus' woorden
wat volgt. de bedoeling geweest dat „iemand die gelooft nu zélf alles doen kan," dan zou men moeten verwachten, dat de vader na betuigd te hebben: „Heere dat doe ik, ik geloof!" dan nu ook zelf beproefd had om zijn kind te redden, en dat dit hem ware gelukt. is,
blijkt ontwijfelbaar zeker uit
Ware
Maar III
toch
zie, juist
het tegendeel grijpt plaats. 9
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's