De leer der Verbonden - pagina 184
174
men
bekeerd
is.
Wel
niet altijd terstond.
Soms
zelfs zijn er
onvaste
aan hun doodssnik verlegen blijven. Maar afgezien van die buitengewone gevallen, is het toch regel, dat God Almachtig te zijner tijd zijn uitverkorenen van hun eeuwig heil verzekert. Dezulken vragen niet angstig meer: Zou er heil zijn? maar belijden ootmoedig en vreugdevol: „Wij dan, gerechtvaardigd door het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus." Maar al houden we met hand en tand vast, dat de begenadigden wel terdege van hun roeping verzekerd worden, nooit kunnen of mogen we daarom toegeven, dat we het middel bezitten, om de bekeerden en onbekeerden buiten ons te onderscheiden. Wel zijn er kenteekenen van de kinderen Gods, maar vooreerst die kenteekenen kunnen soms zoo verduisterd ten andere ons oog kan te dat wij ze niet meer bespeuren zijn, vooringenomen en beneveld zijn, om te zien wat er is, en ten derde de leugen is nu eenmaal zoo fataal in 's menschen hart ingedrongen, dat men ook die kenteekenen nabootst, en aldus een leven voorwendt dat er niet is. De geestelijke comedianten! Hoe nauwkeurig men dus ook toezie; en we erkennen dat de ernstiger methodisten hier zich toch moet elke splitsing in bekeerden en metterdaad op toelegden onbekeerden onverbiddelijk worden afgewezen, omdat zulk een scheiding óf volkomen zeker zijn moet, óf ze begaat het schriklijkst onrecht. Het onrecht namelijk om het gekrookte riet te breken en den indringer te begiftigen met een ontstolen kindsdeel. Doch niet alleen is deze splitsing van onze omgeving in bekeerden en onbekeerden onzeker ; maar ze brengt ook een gevaar met zich. T. w. het geestelijk gevaar der zelfverheffing voor de bekeerden. Elk teeder kind van God weet bij ervaring, hoe ontzettend groot dat gevaar is, en hoe, breekt die zelfverheliing eenmaal door, alle geestelijke wasdom gestoord wordt. Scheiding moet er eenmaal zijn. Wie uit het rijk der duisternis wordt overgezet in het Koninkrijk, kan noch mag zijn oogen dicht doen voor het groote feit, dat er een zondige wereld is, die hij heeft te oordeelen en te ontvluchten, en een heilig Koninkrijk, dat hij heeft te zoeken en te loven. Daar is niet aan te ontkomen. D.it hoort tot onze geestelijke roeping. Maar nooit, nooit kunnen wij dit zonder zelfverheffing doen, tenzij er aan 1. dat we de wereld in ons deze dubbele voorwaarde voldaan zij zelven op hetzelfde oogenblik het hardst veroordeelen, en 2. dat we, zelf uit die wereld gered, aan redding van anderen uit diezelfde wereld gelooven. En zie, dat nu juist wordt bij die wilkeurige schifting in bekeerden en onbekeerden bijna onmogelijk. De kring der bekeerden staat dan als een heilige kring apart; beschouwt zichzelven als hebbende „geens dings gebrek", en is dusdoende reeds meer dan half door de poorte gegleden der „geestelijke hoovaardij." Dat nu stremt alle waarachtig leven, houdt de genade tegen en verarmt ons En geen grooter dienst kan daarom aan de begenadigden zielen, die tot
;
;
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's