Het heil ons toekomende - pagina 228
218
mijn heerlijkheid annschouwen mogen." Het kan zelfs Johannes zoo met nadruk van „een heerlijkheid als van den Eéngeborene des Vaders" gewagende, niet op Pathmos doelt. Het oogenblik toen hij Hem zag en als dood voor zijn voeten viel, en de Heere zijn rechterhand op hem leide, kon in de heugenis van den evangelist niet zijn uitgewischt. Dat de woorden „En we hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van den Eéngeborene des Vaders" een tusschenzin vormen, pleit niet weinig voor deze opvatting. Johannes geeft dan een drievuldig tijdstip aan. Vooreerst dat der geboorte: „Het Woord is vleesch geworden." Dan zijn leven op aarde tot aan zijn hemelvaart: „En Hij heeft onder ons gewoond." En eindelijk zijn openbaring na zijn hemelvaart op Pathmos „En w^e hebben zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van den Eéngeborene des Vaders." Althans van den geloofsblik, waarmee de discipel achter het gordijn der menschelijke natuur de Goddelijke majesteit van den Zoon ontdekte, kan geen sprake zijn. Aanschouwen vormt eer een tegenstelling met geloof, dan dat het met gelooven eenzelvig zou zijn. Het is daarom nog niet ons gewone zien met het zinlijk oog, maar een zien niettemin, waarbij het zielsoog mét het zinlijk oog, beide door den Geest in blik verscherj)t, zich voor de Goddelijke heerlijkheid ontsluit. Een zien zooals Jesaia den Heere in zijnen tempel aanschouwde „en zijn heerlijkheid zag" (Johan. 12 41). Een zien als waarvan het in den aanhef des eersten briefs heet: „Hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen we gezien met onze oogen en onze handen getast hebben, hetgeen wij aanschouwd hebhen van het Woord des levens." En let er op, zulk een zien was het zien op Pathmos, want de heilige Apostel zegt zelf: „Ik was in d-n geest op den dag des Heeren, en ik zag in het midden van de zeven kandelaren eenen, den Zoon des menschen gelijk." Van de „heerlijkheid des Zoons" spreekt Johannes iu zijn Evangelie slechts viermaal. In zijn proloog en dan bij Kana's bruiloft en in hebt, opdat zij
de
vraag
zijn,
ot'
:
:
:
het hoogepriesterlijk gebed. Te Kana straalde de heerlijkheid zichtbaar in het teeken, en in het gebed van Johannes 17 is beide malen sprake van de toekomende heerlijkheid in den hemel. Met nadruk getuigt
12 wat
:
hij
in
:
39) „dat Jezus nog niet verheerlijkt was;"
:
gekomen, Joh.
(hoofdstuk 7
16, „maar als Jezus verheerlijkt was, toen werden zij indachtig Hij gesproken had." Jezus zelf zegt (12 13): „Zie, de ure is
18
:
Hem
de
dat
31
:
Zoon
„Nu
is
menschen zal verheerlijkt ivordeu." Op de Zoon des menschen verheerlijkt en God is des
teekenen
onze Kantteekenaars reeds aan, dat is de tijd nabij, dat Ik zal verheerlijkt worden," steunende op wat onmiddellijk volgt in vs. 32: „Indien God in Hem verheerlijkt is, zoo zal Hij Hem ook verheerlijken in zichzelven en Hij zal Hem terstond verheerlijken." Hiermee is niet ontkend, dat ook over Jezus' aardsche verschijning dit
te
verheerlijkt,"
verstaan
is
in den zin:
„Nu
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 266 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 266 Pagina's