Dat de genade particulier is - pagina 93
83 misdroeg
andere jongelieden doen, och, dat zal van zijn bewustzijn zal uw Universalist u antwoorden, dat hij toch zelf dat huis waarin hij geboren werd niet had uitgekozen; dat hij in die opvoeding eer tegendat hij heusch evengoed als de goddelooste zou streefde dan meehielp zijn uitgegleden, indien zijn God hem niet bewaard had. En als ge, u nog niet gewonnen gevend, dan er op wijst, hoe er dan toch iets, een klein, maar alles afdoend iets was, dat van hem zelf kwam, t. w. dat God wel het heil voor hem bereid had, het tot hem bracht en het hem aanbood, maar dat hij dan toch, toen het er op aankwam, de zedelijke kracht in zijn wil heeft gehad, om dat heil niet
u
zoo
ergerlijk
niet
alles
baten,
want
als
uit het diepst
;
niet
dat
—
te stooten, maar aan te grijpen, dan zal uw Universalist, met verontwaardiging u antwoorden, „of ge dan heusch denkt,
af
schier
kracht
die
zijn wil ooit
in
zou gewerkt hebben, indien
God
er
die niet in had gelegd?"
door uw prikkelend vragen allengs warm geworden en in ontstoken, zult ge allicht van dezen schijnbaren tegenstander tot uw verbazing de gulle bekentenis hooren: „Och, mijn lieve vriend, hoe ge u toch in mij vergist. Ge ziet mij voor zooveel beter aan dan ik ben. Neen heusch, al sta ik burgerlijk nog met eere voor God en menschen, mijn hart van binnen is geen zier beter dan het
En nu
geestdrift
hart van
gezocht,
tranen
den ellendigste. Neen, waarlijk, ik heb mijn lieven God niet maar ben van Hem gevonden. Ja, waarom het u niet met
beleden,
Ontfermer
tot
tegenpruttelde
zóó diep was ik afgedoold, dat ik, toen de mij niet eens wou laten vinden, maar eer tegen worstelde en zoo lang de verzenen tegen de
zóó mij
en
ver,
kwam,
tot ik eindelijk afgemat inzonk en in die afmatting engelen als buit voor zijn Koninkrijk werd weggedragen!" Ja, eens aan het uitstorten zijner ziel, laat uw bestrijder van zooeven het misschien daar zelfs nog niet bij, maar voelt drang en behoefte om er nog bij te voegen „En zelfs in uw oordeel over mijn" leven en mijn bekeering zoudt ge u ganschelijk vergissen. Want heusch, denk ook daar niet van, dat ik zelf dat gewijd, geheiligd, met geestelijk goed vervuld iieb. Wel was er een tijd, dat ik mij dit inbeeldde, dat ik meende rijk en zeer verrijkt te zijn en geens dings gebrek te hebben maar o, bittere ervaring, diep krenkende, beschamende teleurstelling leerde mij wel anders en beter, en als een tweede bekeering was het mij, toen mijn koninklijke Verlosser in zijn hartaangrij pende teederheid het ook mij leerde verstaan dat ik arm en naakt en blind was, en ook na mijn bekeering nog eiken morgen en eiken avond, ja elk oogenblik des daags, nog van hem „om niet" te koopen had het kleed dat mijn naaktheid zou bedekken, en de zalf voor het kranke oog en het goud dat uit den oven van zijn ontzettend lijden kwam. Ja, zal ik mijn diepste zielservaring voor u uitspreken, laat mij er dan maar rond voor uitkomen, dat Satan mij reeds weer tien- en honderdmaal naar
prikkels
door
sloeg,
zijn
:
;
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's