Heils termen - pagina 114
104 goddelijke geheel opneemt, en nu van het overige afscheidt, om zichtbaar en tastbaar de grenslijn tusschen vrat van boven komt en van
beneden één
uit
jarenreeks,
voor het oog zijns volks te toonen. Zoo neemt hij dagenreeks, één uit zijn maandenreeks, één uit zijn
stamt,
Israëls
één uit zijn stammen, één uit elk gezin, één uit zijn één uit al wat Israël toebehoorde, om er het teeken van het goddelijke aan te hechten, en het nu als door Hem aangenomen, af te zonderen, van wat daar buiten is. Die daad van „Heiliging" nu als vrijwaring tegen vermenging, gaat door, ook waar de Christus verschijnt. In Hem bereikt de Openbaring Gods haar hoogste toppunt, wordt ze volkomen. Was toch de Openbaring een komen van God tot den zondaar, dan kon dat komen, dat naderen Gods natuurlijk eerst daar volkomen zijn, waar Hij zelf tot den mensch, ja in de menschheid inging en de profetie vervuld werd: Zie hier is uw God! Het Woord werd vleesch. In de gelijkheid des zondigen vleesches verscheen de eeuwige Zoon des Vaders. Uitgenomen de zonde werd Hij den broederen in alles gelijk. Onze zonde, onzen vloek droeg Hij, ja. Hij werd zonde gemaakt om onzentwil. Ook in de verschijning van den Christus moeten we dus de daad van heiliging terug vinden. Zijn hoogere natuur, die zich met onze ingezonken natuur vereenigt, mag hiermee niet vermengd worden, en het dubbele moet dan ook hier plaats grijpen, dat vooreerst het hoogere in den Christus van het ingezonkene wordt afgescheiden, en dat ten tweede ons menschelijke in zijn hoogere natuur wordt omgezet. Welnu, wat is het Kruis en de Opstanding des Heeren anders, dan de volkomen doorvoering van deze daad der „heiliging"? „Ik heilig mij zelven voor hen," sprak de Man van smarten immers aan den ingang van zijn lijdensweg, doelende op zijn Kruis; en wat toont ons dan dat Kruis anders dan de volkomene afscheiding door den schrikkelijksten dood, die ooit gestorven werd, van het Goddelijke in Christus uit de verdorvenheid dezer aard? En wederom, wat toont de Opstanding van Christus anders, dan dat Hij in die afscheiding door den dood ons niet prijs geeft, maar uit de diepten des doods onze natuur weer opbrengt, nu van alle inzinking bevrijd, en geheel doordrongen van zijne Goddelijke heerlijkheid? Eindelijk, ook nadat onze Koning ten hemel voer, is de daad van heiliging in geheel dcnzelfdcn dubbelen zin doorgegaan. Doorgegaan in dien zin, dat de Heere een stuk uit het geheel neemt, en dit afzonderlijk stelt en afscheidt, om het te merken met het teeken zijns heiligen naams. Zoo heiligt Hij een deel der menschheid, dat Hij als zijn Gemeente van het overige afscheidt door den Doop. En evenzoo heiligt Hij den enkele in zijn gemeente, door hem te roepen tot belijdenis van zijn naam. steden,
ja,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's