Het heil in ons - pagina 243
daarnaar hunkeren, was ons lijden niet waard?
het
ons
hart,
was het ons leven, was het
Tot ook dat beo;af, en het ideaal al te ijl en de overspanning te onnatuurlijk bleek. Dat putte uit, dat verteerde de krachten. De werkelijkheid hernam haar rechten. Een nevel trok voor dien met starren bezaaiden hemel van ons idealen scheppend, idealen minnend hart. En toen .... plofte onze ziel weer in zichzelf neder. De wereld te eng, ons levenslot bedorven, onze idealen verdwenen! Niets dan ons hart bleef! Hebt ge aan dat hart, aan uzelf, aan uw eigen wee-
moed en
lijden
genoeg?
En
een tijdlang waandet ge het? Het zelfbehagen, de zelfzucht deed u u in uzelf opsluiten. Wat deed u die wereld? Stondt ge niet boven
uw
lot? Was het niet wijs, dat dwepen met idealen verleerd te hebben? Waart ge u zelf niet genoeg? En toen begon het onderzoek van dat ik, waar ge uw heil in zocht, van dat ik, dat eigen ik, dat u als eenige schat restte En toen ook dat tegenviel, zoo bitter tegenviel, toen er machteloosheid bleek te zijn, waar ge mijnen vol erts hadt vermoed, .... toen ja moest hv3t tot een keuze komen. Zoo blijven kon het niet. Niet ik, was het oordeel dat ge over uzelven bracht. Waartoe? Om van het niet ik tot een maar Christus in mij voort te schrijden, of bij het niet ik de lippen te laten verstommen. Zoo het eerste, o geredde ziel, want anders blonk u dan tegen dan het Maranatha! Indien het laatste, wat anders kon dan het )iiet ik u raden, dan vernietiging van uzelven, een zelfgezochten dood. Toch is daarmee de diepste gedachte, die beide gemeen is, nog niet gepeild. Ontevredenheid met het bestaande, jagen naar iets anders, iets hoogers, iets beters, is de grondtrek van onze natuur. Eeuw in eeuw uit naderen de profeten der ongoddelijke wijsheid de teleurgestelde menschheid, haar toeroepend: Thans is de steen der wijzen gevonden, breek met uw verleden, volg ons, en uw volkomen geluk komt! !
.
.
.
.
.
.
.
Maar dat geluk komt niet. Nieuwe teleurstelling komt opnieuw de
ijdelheid van het menschelijk pogen staven. Maar de menschheid houdt vol. Haar hope is onuitroeibaar. En als straks weer een profeet van betere dingen genaakt, vindt ze in haar hart nog altijd levensmoed om weer te luisteren, en levenskracht om het weer te beproeven. De mensch moge vertwijfelen, in de menschheid sterft de hope niet. En waarom het dan toch altijd teleurstelling brengt? Omdat de mensch niet dorst naar een betere wereld, niet smacht naar een rijker lot, niet met zijn hart uitgaat naar idealen, maar dit alles vereenigd zoekt in een persoon. Het persoonlijk menschenhart
zoekt
een
ander
hart.
Een
wereld, een
blij
levenslot, idealen, o ge-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's