Dat de genade particulier is - pagina 216
206 voorzien", waarmee kennelijk gedoeld wordt op het klein aantal inwoners van zekere vesting. Maar ook al bepalen we ons tot de Heilige Schrift, dan nog staat het vast: lo. dat minstens negentig van de honderd keeren bij het woordeke allen zulk een rechtstreeksche bepaling staat, dat er slechts van zeer enkele menschen sprake kan zijn; en 2o. dat van de tien dan nog overblijvende gevallen er hoogstens drie zijn, waarin de zin, de samenhang, het verband niet klaar en duidelijk een beperking eischen. Zoodat er ten 3o. op zijn best zeer enkele gevallen overblijven, waarin het woordeke allen bij manier yan uitzondering doelen kan en verstaan worden mag, van „alle menschen die er ooit waren, er nu zijn, of er ooit zijn zullen". B. v. als er staat: „zij zijn allen afgeweken", „allen hebben gezondigd", enz. Om naar eisch van de taal te werk te gaan, moet de uitlegger wien het waarachtiglijk om waarheid te doen is, dus niet maar zóó aan min geoefende lieden zegt: „Zie, daar te werk gaan, dat hij staat dan toch maar duidelijk en letterlijk: De Heere heeft ons aller ongerechtigheid op hem doen aanloopen", alsof het nu hiermee uit was. Dat toch zou misleiding der schare zijn. Neen, maar hij moet,
deze Schriftplaats te hebben aangehaald, er veeleer uitdrukkelijk bijvoegen: Of nu onder dit allen metterdaad „alle menschen ter wereld en van alle eeuwen", dan wel slechts „de menschen uit zekeren bepaalden kring" te verstaan zijn, moet alsnu eerst nader onderzocht.
na
Dringend en ernstig verzoeken we daarom, in naam der waarheid, aan de voorstanders der algemeene genade, dat ze van dit oppervlakkige, oneerbiedige citeeren van de Schrift „op den klank af", zich voortaan mochten onthouden, en na de reeks van plaatsen te hebben saamgebracht, waar de dood van Christus „met allen" in verband wordt
gezet,
zoeken,
of
eer
het
ze verder gaan, nu eens opzettelijk willen onderverband, de zin, de samenhang in een dier plaatsen
op een beperking
wijst of niet.
zullen ze zelven, huns ondanks, tot eene conmeer -op ónze hand is, dan op de hunne. Leest men b. v., om met déze plaats te beginnen, in het prachtige Jesaia 53 nog eens die woorden na: „De straiïe die ons den vrede aanbrengt was op hem en door zijne striemen is óns genezing geworden. WIJ dwaalden allen als schapen, maar de Heere heeft ons dan moet het den aller ongerechtigheid op hem doen aanloopen,"
En dan dunkt
ons,
komen, die
veel
clusie
—
aandachtigen Bijbellezer toch duidelijk zijn, dat door die toevoeging „ons'' vóór „aller" de beteekenis van dit woordeke „aller" reeds zeer beperkt wordt. Hieruit blijkt toch dat niet „alle menschen van vroeger, nu en die na ons zijn zullen" kunnen bedoeld wezen, maar alleen die menschen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's