Het heil in ons - pagina 90
80 is uitgesproken dat ook een geredde iyi zich zelf niets is dat zijn wassen in Christus wel een veranderde gesteldheid innerlijk raderwerk aanduidt, maar nooit met een allengs
Hiermee en
van
blijft:
zijn
eerst leêge glas mag vergeleken; en dat de strijd tusschen vleesch en geest niet een strijd van 's menschen geest tegen zijn bloed of zijn lichaam is, maar integendeel de strijd van zijn nieuwe persoonlijkheid die hij in Christus gewon, tegen den ouden mensch die, in geest èn ziel èn lichaam huizend, in hem zelf eischen bleef tegen den Geest zijns Gods.
vol
worden van het
IV.
IN OP BUITEN CHRISTUS GEREKEND? Ik
leef,
in mij.
maar
niet
meer
ik,
Christus leeft 20. Gal. 2 :
Is in ons vorig artikel uiteengezet in wat zin „wij midden in den dood liggen" en „alleen God den zondaar, die dood was, levend maakt," thans komt het dan aan op de juiste onderscheiding van het werk Gods aan dien zondaar, die „levend gemaakt is." Door de roeping komt „de eisch" om op te staan uit de dooden tot ons. Door de wedergeboorte wordt ons „de kracht" om op te
staan toegebracht. Door de bekeering wordt de wil er toe geneigd om die kracht ter opstanding „haar werking" te laten doen. En in de heiligmaking wordt wil en kracht in harmonie gezet, om zoo „het zelfbewustzijn" als „de uiting" des nieuwen levens tot waarheid te
maken.
De „heiligmaking" is dus niet óns werk, waarmee wij tot God naderen, maar zijn genadegave waarmee Hij zijn heiligen toekomt. Niet een natuurlijke werking van ons herboren gemoed, maar een tweede weldaad die ons uit ontferming wordt toegebracht. Een uitnemendheid die we, zelfs na onze bekeering, uit ons zelven nooit die (in weerwil van onzen toeleg om ook dat voor ons zélf te nemen en dus te verzondigen) in ons gewrocht wordt door een machtdaad Gods. Ze is verder een bovennatuurlijke genadegave, d. w. z. indien den bekeerde het Woord wordt voorgehouden, zonder meer; indien er niets dan een uitwendige zedelijke werking op hem uitgaat; indien het blijft bij een eisch aan het nieuwe leven om dan nu ook in daden zijn kracht te toonen; dan komt er hoogstens een vooze, verkankerde vrucht te voorschijn, die met „heiligmaking" niets gemeen
bekomen zouden, maar nieuwe
leven
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's