Het heil in ons - pagina 195
;y
185
behoorend tot onze natuur; in ons uitgestraald, niet uit ons stralend door de zonde tot een drukkende macht over ons geworden, verre van vernietigd.
Toch
Godskennis in dit onheicust besef niet zich rekenschap te geven van de aandoeningen die hij in zich waarneemt, is met den mensch zelf gegeven. Bij de aandoening van Gods alomtegenwoordige mogendheid is hij lijdelijk, even lijdelijk als onze longen bij de werking der lucht, onze oogen bij de aanraking van het licht, ons oor bij de trilling van het geluid. Dat Gods alomtegenwoordige mogendheid op hem uitstraalt, hem aanraakt en het weefsel van zijn hart trillen doet, kan de mensch beletten noch uitlokken. Hij kan zoomin voorkomen, dat de mogendheid des Heeren alomtegenwoordig is, als dat zijn wezen door die mogendheid wordt aangedaan. Noch in het één noch in het ander is blijft
verzonken.
iets
van
de
Het
zijn
natuurlijke
streven,
om
eigen daad.
daad ontstaat eerst, indien hij zich rekenschap zoekt te aandoening toch zijn mocht; zich afvraagt, waardoor die trilling in zijn wezen ontstond; in één woord, zich bewust zoekt te worden van het besef dat in hem opkwam. Zonder meer zou de mensch natuurlijk nooit op den inval komen, dat die aandoening in zijn wezen een uitvloeisel van de majesteit des Heeren was; hoogstens zou hij weten kunnen, dat een onzichtbare macht langs verborgen wegen toegang tot de schuilhoeken van zijn consciëntie had; al het overige bleef dan gissing. Gissing of die macht uit de natuur of van hooger dan de natuur tot hem kwam. Gissing, of die macht crewerkt werd door een jyersoonlijk wezen, dan wel met de natuurmachten op één lijn ware te stellen. Gissing, of, stel ze werd door een God op hem uitgeoefend, die God slechts één der Goden of steeds dezelfde en dus alleen God, God voor
Die
geven,
hem
eigen
wat
die
was.
Maar
die ingeschapen Godskennis staat niet op zichzelve, blijft niet zonder meer, is ni^t aan zichzelve overgelaten, maar ontvangt inhoud en verklaring door wat de mensch om en in zich waarneemt. Behalve die aandoening van Gods mogendheid in het hart, is er nog een natuur, is er nog een menschenwereld, is er nog een verloop der dingen, dat we geschiedenis noemen, is er nog een overlevering is er nog een persoonlijk leven van eiken mensch. Dit alles moet in rekening en met het ingeschapen Godsbesef in verband gebracht, zal de mensch tot het inzicht komen, wat de macht is, die hem inwendig rusteloos aandoet, en tot hewuste kennis geraken van den almachtigen God. Dientengevolge maakt onze kerk een scherp onderscheid tusschen het ingeschapen Godsbesef en de verkregen Godskennis. Bewust is alleen de laatste. Toch vatte men dit niet zóó op, alsof de wetenschap, die natuur en historie, traditie en levensbevinding ons aanbrengt, los en zonder
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's