Heils termen - pagina 170
160 In keuzen tusschen dit te zoeken en dat te te voltrekken. midden verloopt g;eheel ons leven. Hoezeer ook bij elke werking in ons de oorsprong; der beweging van God uitga, toch zijn wij het, die deze innerlijke beweging in een daad, in een feit moeten omzetten, en dusdoende de heiliging, die uit de diepten des geestes welt, in het zichtbare leven verwerkelijken moeten. Op den verborgen achtergrond des mvstieken levens staat het zegel gegraveerd „dat de Heere de zijnen kent," met dat goddelijk kennen, dat tevens een werken met majesteit is; maar op de zichtbare oppervkikte staat, ten spijt van alle onheilige geveinsdheid, met niet minder vurige letteren dat andere zegel geteekend „Een iegelijk, die den naam van Christus noemt, sta van alle ongerechtigheid af." Behoeft het dan nog gezegd te worden, dat alle doemwaardig geprevel van „den ouden Adam" eenvoudig toont, dat men niet van de Bondgeuooten is en dies met de gaven der heiligmaking niet begiftigd werd. Deze kankerende uitwas aan den zijwand des heiligdoms doe zich dan voor in den vorm van „verzondiging van het vleesch," of, minder driest en stout, in den zachteren trant van den geest niet toe te rekenen wat het vleesch misdeed, of eindelijk in nog sluikscher vorm van een insluimeren des geestes, dat de werking der zonde of niet bespeurde of niet bestrijden kon, hoe ook genaamd, onder wat dekmantel ook verscholen, gevloekt voor God en zijnen Christus en zijn heilige gemeente is elke schijn van geloof, die zich aan den klem van Gods heiligheid door ellendige zelfmisfeitelijk
:
—
leiding of
met zoo
met
verachtelijk opzet ontAsringt. het een beleediging voor de Gemeente, die gekocht werd het dierbaarst bloed, dat bij het bespreken van „heiliging" van verniste dierlijkheid en gehuichelde zondedienst nog moet gerept
Haast
is
worden. Er is geen leven en dus ook geen wedergeboorte, waar gedachten nog huizen kunnen. Er is geen kracht en dus ook geen geloof aan Jezus' Opstanding, waar zulke overleggingen des doods nog als wijsheid worden uitgestald. Niet slechts den Christus en zijn woord, maar zelfs het geweten en natuurlijk menschelijk gevoel hebben slechts één woord van wrake en verafschuwing voor het bezoedelen van de Kruisbanier met zoo onheilige hand. Dat we er toch bij het sluiten van deze Schriftbeschouwing niet van zwegen, het is slechts wijl we niet dulden kunnen, dat de Gemeente der geloovigen, ter ontkoming aan dezen gruwel, in de tente der werkheiligheid wordt gedreven; wijl we het niet mogen aanzien, dat om dezen gedrochtelijken namaak het echte wezen van Gods vrije genade miskend en gemeden worde; of, wil men, we onderdrukten deze conscientiekreet tegen het vuigste Farizeïsme niet, opdat niemand door den laster van verwantschap met dit demonisch verschijnsel zich wapenen zou, tegen den onweerstaanbaren invloed, dien Gods „heiliging", naar de Schrift verklaard, op elk kind van God moet oefenen. zulke
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's