Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Honig uit den rotssteen - pagina 305

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Honig uit den rotssteen - pagina 305

2 minuten leestijd

391

Dus juist wat onze keurige Catechismus mede als een der drie vruchten van Christus' opstanding opsomt, „en ten derde is de opstanding van Christus ons het zekere onderpand van onze zalige opstanding." Ja, wel waarlijk, mijn broeder, hangt dus met dat verrijzen van Immanuël ook uw eigen verrijzenis saam.

Maar hoe?

Om

u te zeggen „Nu Jezus uit het doodenrijk wederkwam, is daarmee het overtuigendst en afdoendst bewijs geleverd, dat er na den dood nóg een leven komt?" Onmogelijk! Want de ongeestelijke mensch, die door het graf heen de eeuwigheid niet ziet, die ontkent en loochent eenvoudig, dat Jezus :

wezenlijk opgestaan

Dan

misschien,

is.

om

u

te

zeggen, dat alle menschen eens opstaan

zullen ?

Ook

kan er niet in liggen. Want Jezus' verrijzen is het zeker van een zalige opstanding. En is die aller deel? De heilige apostel getuigt: „De eersteling Christus, en daarna die van Christus zijn." En nu zijn allen, die stierven, van Christus? Neen, er is voor droefgeestige sentimentaliteit, die rond wil waren om grafzerken, hier geen voedsel. Wat de heilige apostel hier zingt is een triomflied, een lied van victorie, een profetische zegezang, een lied Hammaaloth, waarmee Gods kinderen optrekken naar de stad des levenden Gods. Merk er maar op. De apostel van Jezus spreekt met geen woord van wat terstond na den dood komt of onmiddellijk na het sterven met onzen persoon gebeurt. Hij spreekt uitsluitend over hetgeen met Gods kinderen gebeuren zal in het eind der dagen; als de Heere op de wolken wederkomt; wat hij noemt: „in zijn toekomst". Bij het sterven; na en in den dood; dit onderstelt hij als bekend; zet het kind van God niet slechts zijn aanzijn voort; maar is hij eens en voor eeuwig en voor het eerst van de zonde af; en door dat afzijn van de zoude in volle zielsgemeenschap met zijn Verlosser; een heerlijke zekerheid die l'aulus elders uit deed roepen: „Ik heb begeerte om ontbonden te worden en met Christus te zijn." Dat die gemeenschap met Jezus na den dood ook een gemeenschap met de „vergadering der uitverkorenen" zal zijn, spreekt vanzelf. Wie het Hoofd heeft, kan niet buiten het lichaam zijn. En het lichaam van Christus, welnu, dat is immers die gemeente, „die de vervulling is Desgenen die alles in allen vervult." Niets aardsch, niets onheiligs is er dus in de zoete hope, dat een lief en vroom kind Gods, dat van ons ging^ ook in geestesgemeendat

onderpand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's

Honig uit den rotssteen - pagina 305

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's