Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Het heil ons toekomende - pagina 41

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het heil ons toekomende - pagina 41

3 minuten leestijd

31

meer uitgestoken, om krijgsknechten te werven voor de heirscharen Gods. Men vindt het volkomen natuurlijk en bij uitnemendheid goed, dat die anderen niet gelooven. Daar lijdt men niet méér onder, daar strijdt men niet meer tegen. Men legt er zich bij neer en heeft er vrede meê. Laat een beklemde van ziel zulk een versteende gestalte ontmoeten, en ze voelt de kwelling zonder zich zelve bewust te zijn. Ze weet slechts dit, dat die heilige man haar neerdrukt, en dat ze geen oogenblik banger vindt, dan waar zijn kwellende ontmoeting moet schijn

getrotseerd.

Toch

is

er

nóg onheiliger.

De

hebbelijkheid kan ten leste in wreedheid en hoozen lust overslaan, de geestelijke koning een geestelijk tyran worden in zijn kring. Gelijk de wellust ten leste in wreedheid ontaardt, zoo ook de geestelijke

hoogmoed.

om de meerdere te zijn kan in haar voleinding een worden, die lust vindt aan anderer zielsbenauwdheid en zich vermaken kan met de foltering van het hart. Ook die luipaarden zag men soms in het heilig woud van het heilige des Heeren binnendragen. Laffe, machtelooze geesten, die den blik neerslaan, waar waarachtig geloof hun op den weg ontmoet, en Gods echte kinderen uit schuwheid des die het samenzijn met De

zucht

hartstocht

geestes mijden.

Maar

daar een weerlooze, een verlatene, een afgedrevene ziel, is wie de bekommering en beklemdheid des harten op het gelaat geteekend staat, en wie de vraag: „Wie redt mij?" van de zwijgende lippen spreekt, o, dan heeft de roofvogel zijn aas gevonden, waarop een,

De

angst der ziel moet zijn vermaking zijn. een spreken en wegen en keuren. Eerst wordt een schijn van belangstelling aangenomen, waarmee men als de spin en gaf ze eende vlieg, het arme slachtoffer in zijn web vangt, maal gehoor, o, dan moet de ongelukkige in telkens dieper diepte neêrgestoten, dan moet elk starretje daarboven voor een dwaallicht verklaard, alle betere hoop, waaraan ze zich vastklemde, als zelfbedrog weggecijferd. Last op last wordt der schier bezwijkende ziel dan opgeworpen. Elke kier, waardoor ze in den hemel gluurde, dichtgestopt. Opengereten haar wonde, gespot met haar tranen, met satanischen Hij heeft zijn glimlach gelachen om haar angsten. De wreedaard scherpste pijlen in het heetste gif gedoopt. Hij krenkt, nijpt, trapt hij

neerstrijkt.

Dan

gaat

het

op

!

weerlooze op de fel geprangde borst, en als ze dan niet meer dan is het doel en' schreiend in haar wee en pijn wegzinkt, o bereikt, dan waant c^e „heilige zijn heldenstuk volvoerd te hebben, en ziet nog met een verachting op zijn prooi neder, als waarmee een

de

kan,

!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 266 Pagina's

Het heil ons toekomende - pagina 41

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 266 Pagina's