Practijk der godzaligheid - pagina 28
30 aarde en dien Eechtstreeks doelende op die nieuwe scheiding. nieuwen hemel, die wederom volkomen één zullen zijn. Niemand zegge dus: „Op aarde leefde hij in de kerk, maar toen stierf hij en ging naar den hemel." Zulks te zeggen is ongerijmd. Neen, de kerk kent geen grens tusschen aarde en hemel. Of liever nog, zij is hemelsch, louter hemelsch, en kan daarom op aarde nooit dan pelgrim zijn. Ze heeft daarom haar huis boven en op aarde niets dan een tabernakel. Dat huis, haar huis, heet het „Vaderhuis met zijn vele woningen," termet al zijn geestelijk zaad vreemdeling op aarde blijft wijl Abraham en woont in tabernakelen. Toch kan men voor het opkomen van die kerk de aarde volstrekt niet wegdenken, want zonder die aarde zou de hemel zijn kerk niet krijgen. De hemel moet veeleer heel zijn kerk uit en van die aarde naar zich toe zien komen. Was er geen aarde, dan bleef het Vaderhuis eeuwig ledig. De aarde met haar menschelijk geslacht en al wat er, omdat God het er in schiep, in dat geslacht schuilt, is de akker, waarop de schooven voor de kerk rijpen. De kerk groeit op dien akker der wereld, en eerst zoo rijpt ze naar boven. Niet zoo, natuurlijk, dat ze in alsof ze uit die aarde kwam en was, want we weten nu, die wereld niet zou kunnen komen, indien ze niet uit. het Besluit in die wereld werd ingedragen. Maar in volgorde van tijd komen we dan toch tot dezen regel: De kerk is eerst in het Besluit; daarna daalt ze uit het Besluit in de wereld, en zoo klimt ze uit die wereld in den hemel op. Duurde dit nu slechts één oogenblik, dan kon men zoo scherp af- en onderscheiden. Maar zie, dit duurt eeuwen. daar vandaan komt het nu, dat die kerk van Christus voor een zeer groot deel reeds boven, in het Vaderhuis, ontloken is en schittert in haar pracht, terwijl inmiddels de goudstroom nog aldoor uit de wereld naar den hemel uitvloeit, en evenzoo God Drieëenig nog aldoor voortgaat goud uit onedel metaal te gieten of, wilt ge, goddeloozen
dat
En
te rechtvaardigen.
Voor
ons, die onmogelijk dit groot geheel blijvend
omvatten kunnen,
derhalve tweeërlei gelaat, gedaante, verschijning van die kerk: de ééne die we op aarde om ons hebben, en de andere die we belijden dat boven reeds zalig is. De zalige kerk, veel grooter en rijker en heerlijker, met alle profeten en apostelen en martelaren er in en alle vromen die ons voorgingen; de aardsche kerk daarentegen, veel kleiner, doffer, droever van gelaat, waarin wij en onze broeders ontstaat
er
nog voorttobben
met hun
zonden en de duizend nooden van hun
hart; toch beide één, het huis boven, het voorportaal hier; één kerk, uit het Besluit gekomen, door de wereld reeds doorgegaan of nog doorgaande, en reeds aangekomen daar boven of naar boven op weg. Overmits nu echter dat deel der kerk dat op aarde nog door vliet, door zonde, duivel en hel benepen en benard wordt, zou die kerk geen leven hebben en God niet kunnen verheerlijken, indien ze niet
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's