Dat de genade particulier is - pagina 195
185
Wie er buiten blijft, kan er dan niets aan doen. En dan een hoogere noodwendigheid is het alzoo, die uw weg óf in den hemel doet uitkomen, óf doet uitloopen op de hel. Dit, men verhele noch verbloeme het zich, is het zeer krasse conwaarin de overweging van den heilsweg ons met het bestel en flict, ing^edragen.
niets
de souvereiniteit Gods brengt. is niet verzonnen of er voor uitgedacht, maar voor ons oordeel inderdaad. Van Gods doen op mettschen doen is de overgang voor ons denken steeds ondoorzoekelijk, ondoorgrondelijk en te bovengaande ons begrip. We beginnen dus met de onbewimpelde erkentenis, dat ook wij er van verre niet aan denken, deze tegenstrijdigheid gansch en al te doen verdwijnen, en dat we slechts rusten in het Woord. Maar na dat op den voorgrond te hebben geplaatst, willen we dan toch in dier voege op deze bedenking antwoorden, dat ze niemand meer af behoeft te houden van wat dat Woord ons heeft geopenbaard.
Die
tegenstelling
bestaat
'.s-
En dan doen we in de eerste plaats opmerken, dat de verwerpers van de particuliere genade op hun beurt nu wel dev mtnsch tot zijn recht laten komen, maar om te kort te doen aan het recht Gods. Zij toch gingen reeds zoo ver, dat zelfs in het Oosten kon gedrukt worden: „God heeft zijn alwetendheid beperkt." Om de zedelijke eigenschappen in den mensch ongeschonden te handhaven, geeft men dusdoende een deel van de wezenseigenschappen van den levenden God prijs. Waartegen we ons nu toch de vraag zouden veroorloven Indien ge dan 's menschen doen en Gods doen in het werk der zaligheid niet rijmen kunt, en ge op dien grond óf van den mensch óf van God iets meent te moeten afnemen, zou het dan voor den mensch :
ootmoediger, niet passender, niet veiliger wezen, liever zichzelf geven, dan ook maar in het allergeringste iets af te dingen op de ongeschondenheid van het wezen en de eigenschappen Gods? En waar u dat reeds in het algemeen raadzaam zou voorkomen, wordt dit dan niet nog veel strenger plicht, indien er geen sprake meer is van 's menschen ongeschondenheid, maar van het doen van een zondaar, d. i. van een menschelijk wezen, dat niet gaaf noch on^Q-
niet
op
te
schonden meer is? Dit iets
toch
leidt er toe,
moet worden
doen nfigen, om te ontnemen aan
om
als er óf
prijsgegeven, liever
den
van onze
man
die
zij,
God
zélf alles te laten varen,
óf van
Gods
zij,
vreest steeds te
dan ook maar
iets
de volle en ongeschonden Majesteit van zijn God.
Ten tweede zouden we den broeders, die zich door de hier besproken tegenwerping gedrukt gevoelen, toch eens met ernst vragen willen,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's