Heils termen - pagina 33
23 Hiertoe nu is niet voldoende, dat men reeds in het Oude Verbond de aandacht vestige op de onderscheiding in het wezen Gods, waarvan een duidelijk spoor zich ontdekken laat in het woord: „Laat ons menschen maken," of op de drievuldigheid in de messiaansche profetie: „De Geest des Heer en He er en is op mij" Want al belijden we met onze hervormde vaderen, dat de diepe, volle zin dezer woorden alleen door de belijdenis van „Gods Drieëenheid" verstaanbaar wordt, toch strekken deze plaatsen meer, om ons, die nu eenmaal de Openbaring des Drieëenigen hebben, die heerlijke belijdenis in het Oude Testament doen terugvinden, dan dat reeds hieruit blijken zou, dat werkelijk te ook de vromen in Israël de vertroosting dier belijdenis, zoo al niet met name gekend, dan toch in het diepst van hun zieleleven ervaren
hebben. Hierover gaat dan eerst het ware licht op, zoo we opmerken, hoe de ééne naam van Jehovah zich reeds bij Israël allengs splitst in den drievuldigen naam van: de „Heere der Heirscharen," de „Verlosser," en de „Heilige Israëls." Let men op het woord uit Jesaia's Godspraken, dat we aan het hoofd van dit opstel schreven, dan zal men zien, hoe reeds door Jesaia het bijeenhooren van dien drievuldigen naam werd voorgevoeld. Blijkt ons dus uit het Oude Verbond zelf, dat „Heere der Heirscharen" de naam is, die allengs in dien van „Vader" overging; behoeft het nauwlijks aanwijzing, dat de naam van „Verlosser" "eerst met de Openbaring van den „Zoon" ten volle doorzien werd; en ligt het in het begrip zelf van den „Heilige Israëls" dat hiermee de Heilige Geest, als persoonlijk God, is aangewezen, dan zal het ons niet meer mogelijk zijn een aanvankelijke Openbaring van de Drieëenheid te miskennen in die uitspraak: „Onze Verlosser is de Heere der Heirzinrijke scharen, de Heilige Israëls." Herinneren we ons daarbij, dat Jesaia door de kerk aller eeuwen met den eerenaam van „Evangelist begroet is, dan kan het niet anders, of het moet ons een vernieuwd bewijs voor den keurigen samenhang en het schitterend verloop der gansche Openbaring zijn, dat juist van Jesaia's lippen het woord tot ons komt, dat den naasten overgang tot de klare belijdenis van God's Drieëenig wezen vormt. Hiertoe echter is voor alle dingen noodig, dat we elk dier drie benamingen in haar schriftuurlijke beteekenis verstaan. Vooral de naam „Heere der Heirscharen" moet in het licht van Gods Woord gesteld, omdat zelfs voor menig geloovige die naam weinig meer is dan een sterksprekende klank, die eigenaardiger bij Israëls
des
Ouden Verbonds"
leven der kruisdragende gemeente schijnt Het denkbeeld, dat de „Heere der Heirscharen" de naam te voegen. van Israëls krijgsgod zou geweest zijn, moet geheel worden teruggedrongen, om plaats te maken voor een helder inzicht in den rijken inhoud, dien die naam ons ontsluit. En gelukt het ons daarna, ook
oorlogsleven, dan bij het
stille
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's