De leer der Verbonden - pagina 33
;
!
23 zielen mee neerploife, ontzenuwe of afstompe. een hoog souvereine raadslag van de hooge eeuwige majesteit des Allerhoogsten en Drieëenigen Gods. Besef nu wel, dat wij, in onzen hoogmoed, bijna nooit van dien God hoog en hemelsch genoeg denken. We vergelijken meest, en oordeelen dan ongeveer zóó bij ons zei ven die persoon staat boven mij en over hem weer die; en -dan die; en eindelijk de koning; en hooger nog dan de koning machtige keizers; en nu nog veel hooger, met macht over alles bekleed, staat de Heere onze God. Maar behoeft nu nog gezegd, dat dit nog veel, veel, oneindig veel te laag van dat hoogste Wezen gedacht is? Nog gezegd, dat niets of
en
is
er
niet
Gods „raad"
de
is
:
niemand
ook
maar van verre tot vergelijking kan dienen, om ons onmetelijken afstand voor te stellen, die óns „niet" Godes „eeuwige volheid" scheidt? Zie, bij eiken ademtocht dien we inademen, slikken we, naar ons de natuurkundigen verzekeren, een menigte van infusoriën in, kleine gansch onzichtbare en onwaarneembare diertjes, wier aanzijn men met het fijnste vergrootglas slechts even ontdekt. En zeker de afstand, tusschen zulk een infusiediertje en een machtig keizer is groot. Maar toch, ook al naamt ge nu dien afstand in de duizendmaal duizenden verveelvoudigd, toch zoudt ge nog altijd even ver af blijven van het meten van dien volstrekt onmetelijken afstand die het machtigst schepsel gescheiden houdt van den ONEINDIGEN God. den van
volstrekt
En
er
is
goddeloos
nu niemand
moeten
zijn,
maar eenigszins wilde
die dit weerspreekt en zou
indien
men
verkleinen,
„raadslag"
dan
om
Gods, zonder meer, ooit een alle levensbeweging in mij neder
levens in mij te doen stremmen;
,
hooge
men
al
gansch
Gods ook hoe, zoo vragen we, kan dan die die
en
alle
majesteit
andere uitwerking hebben, werpen; den stroom des besef en alle gevoel en alle te
consciëntie in mij volstrekt onaandoenlijk te maken? Wat zal ik, waar zulk een eeuwige Majesteit beraamt en beraadt en zijn raad formeert naar zijn welbehagen? Wie ben ik, dat ik er nog
maar een zweem van aanspraak op maken zou, dat Hij dien mij bekend zou maken? Staande tegenover dien „raad", wat is mij, zondig nietig druppelke aan den emmer dan, dat ik zou achten, als deed het er nog iets toe, of dat kleine infusiewezentje, dat ik mijn ziel noem, voor eeuwig doodgedrukt werd tussch'en zijn goddelijke vingeren of zich plaatsen moest onder de schaduw van zijn vleugelen ook
raad
voor eeuwig en altoos Voor dien „raad" gekomen, dan valt alle mensch weg, dan ligt al het menschelijke neder, dan is er niets dan een wegzinkend „niet" in het schepsel, en hoog daarover en daarboven de alles sturende en besturende Majesteit van Hem, die alleen verheven zal zijn, en alleen staan kan, waar alle schepsel ligt (Cf. Jesaia 2 17). Bestond er dus niets dan die raadslag over de eeuwige verdoemenis :
•
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's