Practijk der godzaligheid - pagina 37
29 lichamen, welnu, dan blijven we nog volbuiten den regel gaat, maar met een buiten den regel gaan, waarvan we de schuld dan niet werpen op de ontfermende maar wel op de koele, zondige onverschilligheid der geroepeliefde, nen tot handelen, die van hun niet-handelen rekenschap zullen geven aan den Heere.
hebbea
houden,
dan
dat
de
officieele
het
Maar ook in de tweede plaats volgt hier iets uit met opzicht tot de vrije kerken, zoo hier te lande, als elders, wat we niet dan met schroom, uit vreeze van zeer te doen, en toch met vaste overtuiging neerschrijven. Te weten, de meeste dezer vrije kerken belijden een uitnemend beginsel: het beginsel dat niet 's lands overheid, maar Koning Jezus koning in zijn kerk is, en dat dus ook geldelijk de kerken liefst vrij moeten blijven. Maar, en hier schuilt een fout, ze hadden dit beginsel moeten belijden niet door het uittreden uit de bestaande kerk erkend werd),
(waardoor
om
onbedoeld
het
valsche
collegiale systeem
van genootschap te stichten, maar in die kerken zelve dit moeten realiseeren. Zoo met name hier te lande, keuren we niet dit af, dat de broeders die bevonden dat de bedienaars niet meer Gods Woord, maar eens menschen woord brachten, weigerden hierin lijdelijk te berusten, en geërgerd werden door de zoo invalsche exegese, die het legitimisme van het „niet door kracht en geweld, maar door 's Heeren Geest" gaf; ook niet dat ze niet weken met onderwerping, maar weerstonden; noch ook dat ze ouderlingen verkozen en betere predikers beriepen, en alzoo weer tot de bediening van Woord en sacrament en de uitoefening van de tucht zochten te geraken. In dat alles prijzen we hen veeleer. Dit was rechtmatig en plichtmatig. Maar hetgeen waarin ze misgingen was, dat ze uittraden, dat ze niet in de kerk zich openbaarden, maar naast de kerk een nieuwe kerk stichtten, en vooral dat ze deze nieuwe kerkjes opnieuw collegiaal op de basis der wet als genootschap aaneenregen. Hiertoe zou het recht dan eerst ontstaan zijn, indien en voor zoover niet in het kerkgenootschap, dit is een onding, neen maar in elke plaatselijke kerk de hand des Heeren geheel teruggehouden en de ontbinding openbaar was. Zoo hadden ze dan als bediening in de kerk zich behooren te openbaren, en als zoodanig correspondentie moeten onderhouden met de evengelijk ontstane bedieningen in andere kerken, en ook, en daar vooral leggen we nadruk op, met de kerken die nog goed waren, of weer goed wierden. We twijfelen dan ook geen oogenblik, of, naarmate deze kerken den collegialen zuurdeesem, die haar nog aankleeft, uitzuiveren, en het volk des Heeren in deze landen weer dieper in het zuiver gereformeerde kerk wezen en in Jezus' souverein koningschap over haar indringt, zal het onnoodige en zelfs ongeradene van die meening van voorts een nieuwe soort
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's