De leer der Verbonden - pagina 158
148
Wat
toch had
Adam?
Het eeuwige leven?
Adam
Neen, dat bezat
volstrekt niet.
Want immers had Adam dat
geweest,
dienen. Hij had gevallen, toe
hij
het
nog
indien
er,
hij
dat
eerst
bezeten,
door
zijn
dan ware het ongerijmd werken had moeten ver-
volstandig ware gebleven duidelijk bewijs, dat
kunnen komen;
—
in was. Hij zou
en hij
niet er
nog
ware niet
het, ware hij aan zijn God trouw gebleven, als loon voor klaar en overtrouwe gehoorzaamheid hebben ontvangen; tuigend bewijs, dat hij nog niet in het bezit van dat eeuwige leven
—
zijn
stond.
van Adams toestand, waarbij men zich inbeeldt, met een wedergeboren goddelooze op één lijn stond, druischt
Elke dat
voorstelling
hij
dus lijnrecht tegen de Heilige Schrift in weerspreekt zelfs de mogelijkden val; en stuit op elk punt tegen de klare, heldere ;
heid van waarheid.
Adam leven.
bezat
daarom wel
Drieërlei
is,
naar
geestelijk leven,
men
meestal
stelt,
maar volstrekt geen eeuwig 's menschen leven in aard
en wezen. Vooreerst bestaat en leeft hij als natuurwezen, en bezit hij dus wat wij noemen het lichamelijk leven. In de tweede plaats heeft de mensch een redelijk leven, dat zich uit in zijn denken, willen en gevoelen, of kort saamgevat in zijn ziel. En dan nog in de derde plaats, een geestelijk leven, hetwelk ontstaat door zijn gemeenschap met God. Die drie soorten van leven zijn uiteraard niet drie onderscheidene existentiën, alsof de mensch uit drie stukken bestond. De mensch is in den diepsten grond van zijn wezen één; en het is die ééne mensch, die persoon, die zoowel door zijn lichamelijk leven in contact staat met de buitenwereld, als door zijn ziellijk leven in contact staat met de redelijke wereldorde; en eindelijk door zijn geestelijk leven in contact staat met God. Die drie levens in hem zijn in den grond der zaak uitingen van één leven, maar elk op hun eigen wijs en op hun eigen terrein. Verminking is hierbij mogelijk; mogelijk ook een tijdelijke belemmering van een dier levens om zich te uiten; zooals b. V. van het redelijk leven bij den krankzinnige, van het lichamelijk leven bij den afgestorvene voor zijn verheerlijking, en van het geestelijk leven bij den goddelooze, eer hij bekeerd is. Maar in den staat der verheerlijking, als de doorluchte dag des Heeren komt, dan zullen al Gods uitverkorenen weer in al de pracht en in al den glans van dit drievoudig leven blinken. Het zal zijn een geestelijk, redelijk en lichamelijk leven, in onverminkte volheid, gelijk aan de volheid van het leven des Zoons. Want dat juist is de glorie van Jezus' opstanding en hemelvaart, dat het volle, onverminkte menschenleven, naar
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's