Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Heils termen - pagina 164

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Heils termen - pagina 164

3 minuten leestijd

154 Scherp worde hierbij in het oog; gehouden, dat dit tweede „heiwel kenteeken, maar nooit grond der zaligheid is. De man, die gisteren door den Yader van alle barmhartigheid „geheiligd," reeds heden uit dit leven wordt afgeroepen, en bij wien van het tweede „heiligen" dus geen sprake kon zijn, is zijner toeleiding en zijner erfenisse met even volstrekte zekerheid bewust, als die andere, wien na de ure zijner wonderbare roeping nog de helft eener eeuw in strijd en worsteling Avierd toebeschikt. Niet dus voor de zaligheid, maar alleen voor de echtheid en waarachtigheid der toebrenging is deze tweede „heiliging" beslissend. Gevolg en uitvloeisel van het eerste „heiligen," moet ze dit op den voet volgen, voor het bewustzijn waarborgen en in zijn scheidende en gistende kracht tot prijs van den Driemaal Heilige openbaren. Juist echter wijl het voorwerp dezer tweede heiliging niet de onbekeerde zondaar, maar de reeds geroepene tot het kindschap Gods is, mag de mensch hierbij niet meer als tegen den Heere overstaande, maar moet Hij als met Hem vereenigd gedacht worden; vervalt dus de volstrekte scheiding tusschen Gods werk en zijn eigen levensbeweging, en kan de Apostel van Christus derhalve de gemeente der geloovigen in dezer voege toespreken, niet: bidt dat ge geheiligd worden moogt, maar „laat ons onszelven reinigen, voleindigende de heiligmaking in de vreeze Gods." Slechts tegen één misverstand zij men hierbij op zijne hoede. Al is het onbetwistbaar, dat de bekeering een voldongen feit is, na de ure der wedergeboorte, toch is de bekeerde zelf zich dit niet voortdurend bewust. Ook al belijdt hij, „dat daarom de Zone Gods verlaten werd van den Tader, opdat wij nimmermeer zouden verlaten worden," toch kan hij dit besef van verlatenheid niet altijd van zich weren, en is het overwinnen van dit zelfverterend besef voor zijn bewustzijn als een nieuwe bekeering. Ook al staat het vast, dat de hand, die hem greep, hem geen oogenblik loslaat, toch kan zijn ziel door een droeve somberheid, door een bang onzeker overgoten worden, waarin het hem is alsof hij werkelijk in den dood teruggezonken ware. Deze afwisseling, deze gestadige slingering in zijn bewustzijn brengt noodwendig ook de horizont van zijn bekeering in gestadige trilling, en het dunkt hem, alsof een van God afgaan en tot God wederkomen de eindelooze schommeling zijns levens ware. Hieraan ontleent de vermaning haar betrekkelijk recht, dat de bekeering nooit voldongen is, maar steeds vernieuwd moet worden, mits men nimmer vergete, dat dit uitsluitend voor ons bewustzijn en nimmer in de diepten des levens bij onzen God geldt. Nu gebeurt het niet zelden, dat men, deze verschillende feiten des Christelijken levens verwarrend, als deel der heiligmaking beschouwt, wat in der waarheid niets anders is dan het weeropleven van het bekeeringsbesef voor ons bewustzijn,* Hiertegen echter moet gewaakt! ligen"

:

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's

Heils termen - pagina 164

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's