Het heil in ons - pagina 105
!
96 toestemden. Maar als nu, des ondanks, uit vleesch en bloed, of ook ander vleesch dat in ons booze hart zit, of uit dat nog boozer vleesch in onze hersenen, het onheilige toch opwelt, het onreine toch opflikkert, het zondige zich toch aan ons maakt, zie, mits zij er dan maar niet in bewilligd hebben, achten ze hun heiligen persoon daarmee dan ook niet bezwaard. Het „Gij zult niet begeeren!", dat goddelijk woord van den Sinaï, doodende al wie zijn aansprakelijkheid voor den wortel der zonde wegcijfert, moet dan wel door een, o, zoo verleidelijke onderscheiding tusschen „bewuste" en „onbewuste" zonden krachteloos gemaakt. En het gevolg is, dat het innerlijk, verborgen woelen der zonde, aldus van den band van Gods wet ontslagen, een overspelig huwelijk aangaat met de inbeelding van de hoovaardij des geestes, en zoo niet in het eerste, dan in het tweede geslacht, vruchten teelt voor de schandelijkheid en het onreine. Niemand zie in dit zeggen een persoonlijke insinuatie tegen de personen der leeraren van de Hervormde kerk, die gemeend hebben dezen demon der geestdrijverij weer te moeten ontketenen. Onze strijd gaat niet tegen personen. Eer zijn we geneigd en deze leeraren en de opgewekte zielen, die op den adem hunner leering meêdrijven, te omvatten met al de teedere w^aarmeê alleen wie zelf geduriglijk afdoolt, anderen bij hun liefde, dolen minnen kan. Maar dit ontheft ons niet van onzen plicht. En als we dan zien, hoe, louter door gebrek aan kennis, sommigen der teederste zielen, gelijk in vroeger eeuwen, zoo ook nu, door deze overspannen voorstellingen verleid worden, mag dan, zoo vragen we, van ons gevergd, dat we, ter wille van personen, de waarheid verzwijgen zullen, en mag er dan aanmerking op vallen, dat w^e de dingen noemen bij hun uit dat
naam? Neen, bij God, er hangt te veel aan. Te veel voor deze broederen en de zielen die hen naloopen. Te veel voor de rust des gemoeds en de kracht der godzaligheid. Te veel bovenal voor de eere van Gods heiligen Naam Natuurlijk eerbiedigen we ieders vrijheid, en al hadden we de macht, we zouden er niet aan denken dezen broederen het zwijgen op te leggen, ook al blijven we het onzedelijk keuren dat ze om deze verwoesting van het gereformeerde leven te drijven, den euvelen moed hebben, leeraars te blijven in een gereformeerde kerk. Maar juist omdat we die vrijheid ook van de dolende overtuiging als een palladium voor de eere van Gods waarheid liefhebben, dient er dan ook tegenover de dwaling haar bestrijding te staan, en behoort een iegelijk die dezen weg meê opgaat, wel te weten, hoe jammerlijk meewerkt, om het ideaal van Gods heiligheid te verlagen, en hij daarmee den wortel van het Christelijk leven te ontblooten. zelveu
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's