Dat de genade particulier is - pagina 106
96 der
genade
geboren
worden;
er
niets
van vernemen;
en voor een
deel buiten alle genade om wegsterven. Nergens toch lezen we van eenige beschikking Gods, waardoor uit dit vervreemd geslacht een enkele of meerderen tot de zaligheid ook maar worden geroepen. In wat we van hun karakter en ruwheid lezen
geen spoor te ontdekken van nawerking van de Paradijs-openbaring. Eer wordt door de raeêdeeling, dat men in Seths gezin weer pas den naam des Heer en begon aan te roepen, aangeduid, dat zelfs de uitwendige aanroeping van Gods naam onder de Jubals en Tubal-Kaïns verdwenen was. En als men er op wijst, dat dan toch ten leste Henoch en Noach als predikers der gerechtigheid onder hen zijn opgetreden, dan volgt hieruit nog volstrekt niet dat deze prediking hoofd voor hoofd bereikt heeft en veel min al Kaïns nakomelingen dat deze prediking voor niemand bestemd was als een reuke des is
doods ten doode. Vóór .de algemeene genade pleit hier dus letterlijk niets. Maar wel zien we, dat er van meet af een scheur door het menschelijk geslacht gaat; dat het in deelen wordt gedeeld; en dat de heilige linie van het genadewerk niet door aUe?' hart trekt, noch ook tot aller oor komt; maar slechts een deel der uit vrouwen geborenen bereikt, en dus veeleer een particulier karakter vertoonen gaat. Er is een geslacht eenerzijds waarin vreèze Gods woont, en anderzijds een geslacht, dat in boosheid kracht zoekt, en zoo weinig bespeuren we zelfs onder dat hetere geslacht van „een algemeenheid der genade," dat veeleer de booze den goede al meer overweldigt en ten leste heel het geslacht door den God van alle genade wordt uitgestooten. De woorden uit Genesis 6: „En het geschiedde als de menschen op de aarde vermenigvuldigden en hun dochters geboren werden, dat Gods zonen de dochteren der menschen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen die ze verkoren hadden", wijzen reeds in die oudste dagen op de Johanneïsche tegenstelling van kinderen Gods en kinderen van den booze, waardoor de voorstelling van een algemeene genade waarlijk niet wordt gesteund.
Meer
licht intusschen gaat over het
algemeen of particulier karakter
der genade reeds op, als men aan Noach toe komt. Met dien tweeden stamvader van ons geslacht toch staan we voor een van Gods ontzettendste daden, waaruit wel terdege licht valt ook op de natuur van het genadewerk. We zien toch dat in Noachs dagen voor Gods aangezicht op deze
aarde een menschelijk geslacht leefde van duizenden bij duizenden menschenzielen, mannen en vrouwen, jongelingen en knapen, kinderen CD zuigelingen, en onder hen ook het huisgezin van Noach, acht zielen sterk. En van dat aldus bestaande menschelijk geslacht ver-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's