Het heil in ons - pagina 78
68 derhalve gruwelijk dolen, dan ook, in dit leven vorderen, dat hij alle zonde Praelect Theolog. e. 26); en Smalcius schrijven, „dat er zij
wie
die hardnekkig ontkennen, dat iemand, reeds zoo ver in heiligheid zou kunnen
ten laatste te boven dorst,
nog
stouter,
kwam"
(F.
Socinus
hun advocaat Valentijn
een heiligheid is, daarin bestaande, dat der jeugd af alle Gods geboden bewaart, gelijk die jongeling uit het Evangelisch verhaal, of wel, dat men eerst na zijn bekeering zoo ver komt, dat alle zondige hebbelijkheid wordt uitgeschud." In hun voetspoor traden eindelijk de Arminianen, die bij monde van Arminius zelf verklaarden: „dat iemand door de genade van Christus in dit leven reeds zonder zonde zijn kan" {Op. p. 123 vg.); „dat iemand in dit leven het zoo ver kon in hun Apologie leerden brengen, dat hij zich noch van eenige zonde noch van eenige schuld meer bewust is, een toestand die misschien nog niet de absolute volmaaktheid zij, maar er toch zeer dicht bij komt" (p. 132); en. in Limborchs Christelijke Godgeleerdheid, L. v. c. 79: „dat wel de begeerte in den mensch werken blijft, maar dat Gods geboden als zoodanig reeds in dit leven, ook met de bedoeling van ons hart, door
men van
:
ons kunnen volbracht worden." Onder de Geestdrijvers, die we in de laatste plaats noemden, staan de Wederdoopers vooraan, in wier naam Adriaan van Eeghen op de vraag: „Kan de mens sover komen door de hulp van den Heiligen Geest, dat hij onsondig is?" antwoordt: „Ja, want een Christen kan seggen: Ik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeft" 29, vraag 355). Een dwaling die de Mennonieten intusschen (c. hebben uitgezuiverd (zie Schijn, Gesch. der Mennon. p. 139), zooals blijkt uit het antwoord door P. van Cuelen gegeven op de vraag „of de heiligmaking met hare vruchten volkomen kan zijn in dit leven?" „Neen, door de swacke en verdorven natuur kan de mensch in dit volkomenheit niet volcomelijck beleven" (Protocol van leven de
Emden,
p.
147).
de Volmaakbaarheidsleer gedreven door de Enthusiasten Weigel, door den theosoof Jacob Boehme, door den alverefFenaar Calixtus en door den Quiëtist De Molinos, die leerde: „dat de ziel in zoo heerlijken staat reeds hier op aarde kan geraken, dat ze van alle zonde af is, geen uitwendigen dienst van God meer noodig heeft en onaandoenlijk is voor al wat haar overkomt." Ook de Piëtisten in Duitschland en de Labadisten hier te lande waren met dezelfde dwaling behebt; en Poiret, tegen wien Breukelman zoo kloek in zijn voorrede op het Genadeverbond te velde trok, ging zoo ver dat hij schrijven dorst: „Eeeds een mensch, die pas bekeerd is,
Voorts is Schwenkfeld
en
kan, als hij wil, al Gods geboden onderhouden, en kwam hij verder, ja geraakt hij tot den hoogsten trap, dan kan hij 't niet slechts, maar doet het ook en volbrengt volkomenlijk al de geboden Gods" (L'Oeconomie de V operation de Dieu et de la cooperation de V homme
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's