Het heil in ons - pagina 92
83 een volkomene,
zij
het ook een
nog
niet uitgewerkte, heiligheid, zijn
deel zijn.
Metterdaad grijpt dit alzoo bij de uitverkorenen onder de vroeg wegstervende kinderken s plaats, die, wedergeboren in de wieg of misschien reeds van 's moeders lijf aan met leven begenadigd, nooit tot het oefenen van heilige daden op aarde komen konden. Slechts bestaat er tusschen rechtvaardigmaking en heiligmaking dit verschil, dat de rechtvaardigmaking het verzondigde verleden bedekt en de heiligmaking de nieuwe toekomst uitbrengt. Dat de rechtvaardigmaking deswege buiten ons blijft en de heiligmaking in ons gewrocht wordt. En eindelijk dat de rechtvaardigmaking de schuld en niet de smet uitdelgt, terwijl omgekeerd de heiligmaking de smet en niet de schuld doet verdwijnen. Zoowel als de gerechtigheid vooruit verworven is, die ons bekleedt, zijn ook de heilige „werken vooruit bereid, waarin we wandelen iü), en zijn beiden alzóó door het geloof, en door zullen" (Ef. 2 niets dan het geloof, toe te eigenen, dat onze schuld in de diepte der zee komt te liggen, en „die heilige werken" als een licht van ons uitstralen, waardoor niet wij, maar de Vader die in de hemelen is verheerlijkt worde. Streng genomen, heeft voor ons, na onze bekeering, het leven op aarde zijn beteekenis verloren, en niets is dan ook dwazer dan te meenen, dat we na onze toebrenging nog zóó lang leven moeten als noodig is, om ons voor den hemel te bereiden. Waar toch bleven dau de zuigelingen die voor het graf gebaard zijn of de bekeerden die welhaast worden uitgedragen? Neen, maar om drieërlei oorzaak laat de Heere een deel van zijn uitverkorenen, ook na hun wedergeboorte en bekeering, nog op aarde. Ten eerste, om zijn verlossingsmacht van zonde en verderf te toonen; ten tweede, om een lokaas voor anderen te zijn; en ten derde, en dat wel als hoofdzaak, opdat een licht van den Vader der lichten in de duisternis dezer wereld zou stralen en zijn naam daarin groot zou zijn. Anders wat óns eeuwig wel of wee aangaat, houde men onveranderlijk vast en late het zich door Pelagiaan noch Enthousiast ontrooven, dat Christus een volkomen Zaligmaker is, „zoodat wij alles in Hem hebben wat tot onze zaligheid van noode is." „Wijsheid, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing! ^Hoe dus ook bezien. God drieëenig is en blijft onze Heiligmaker, en wat Gods kinderen op aarde te doen hebben, is niet zich zelven heilig te maken, wat hun toch nooit zou gelukken, maar om het in hun goede werken aan vriend en vijand te doen zien, dat Hij, die hun de heiligmaking toebracht en aldoor toebrengt, niet dood is, :
:
maar leeft. Het geheim van deze schijnbare tegenstrijdigheid schuilt in de borgenheid van Christus wondere gemeenschap met de zijnen.
ver-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's