Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Heils termen - pagina 31

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Heils termen - pagina 31

2 minuten leestijd

ai

kimt ge nooit bezitten buiten Hem. Zoolang er dus was het ook slechts het lichaam des doods, tusschen u en Hem ligt, kunt gij die gave niet onmiddellijk bezitten, maar alleen door het geloof, alleen dan wanneer gij gelooft, alleen voor zooveel uw geloof de diepte van uw leven in zich opneemt. Zeer zeker. Israël heeft nog niet in klaarheid gezien, wat ons in den brief aan de Efesiërs gezegd wordt: dat wij zijn maaksel zijn, geschapen in Christus Jezus, tot goede werken, die God voorbereid heeft, opdat wij daarin wandelen zouden; maar toch in beginsel was die heerlijke waarheid reeds volkomen geopenbaard, toen Israël door den Jehovah-naam leerde, dat het wezen aller dingen, en dus ook van de gerechtigheid, alleen in God rust, en niet buiten Hem kan zijn. A^atten we dit in zijn diepte op, dan is het klaar dat de komst van den Christus, in zijn volheid, reeds in den Jehovah-naam begave,

nog

gave

die

al

iets,

sloten

ligt.

Het schepsel en er toch

sreen

verzonken in den dood, wezenheid is buiten Hem.

ligt

wijl het

van God afging,

het tot Abraham: El-Schaddaï, „Ik ben God de Alin dien dood schep Ik het leven. Maar nu wordt het aan Mozes geopenbaard, dat het leven, dat God schept, uit Hemzelf is, van Hem niet kan gescheiden worden, en slechts daar is, waar Hijzelf is. Voeg die beiden saam, en immers, het zegt ons, dat er geen leven

En nu

machtige"

heet

:

in dien dood gewekt kan worden, tenzij God zelf in dien dood inga, tot dien dood kome, en als het leven in dien dood worde geopenbaard.

Of

dus.

Hij

die

Jehovah, en zijn gedacht worden.

het

in den dood zou brengen, was niet wezen der dingen, kon buiten Hem

leven

leven, het

wel. Hij is Jehovah, d. w. z. het wezen van alle leven ligt in gegrond, maar dan ook kon in de verstorvenheid van ons geslacht het leven niet komen, tenzij het leven van God zelf in den dood der menschheid inging. En nu, „het Leven Gods in den Dood der menschheid" wat is het anders dan Christus onze Heiland, dan Hij, die staande te midden van onzen dood, sprak: „Ik ben het Leven;" dan Hij, die onzen dood aan het kruis smaakte, en straks zijn Leven openbaarde, toen Hij

Of

Hem

opstond uit het

graf.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's

Heils termen - pagina 31

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909

Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's