Het heil in ons - pagina 52
43 zich uit, blijft evenals voorheen vjin de eigenaardige trekken
van ons
plooien die ons wezen door omgeving en ervaring ontving, ja zelfs van de overheerschende neiging onzer persoonlijkheid afhankelijk. Die bewerktuiging, die instrumenteering van ons wezen was niet door onszelf gemaakt of uitgedacht, noch door onze ouders voor ons uitgezonnen, maar werd ons alzóó gegeven van God. Toegestemd moet voorzeker, dat ook deze instrumenten van onzen geest, door ons geboren worden in ongerechtigheid, wil men, door ons ingaan in een zondig geslacht, het bederf der natuur van dit geslacht deelden, daardoor hun buigzaamheid en kracht misten, in onjuiste verhouding tot elkander waren geplaatst, en dies van verre zelfs de werking niet doen konden, waarop ze waren aangelegd; maar al glipte het rad van de spil af en al werd het tusschen andere raderen vastge wrongen, een rad blijft het niettemin, dat straks, uit de gebroken spaken der andere raderen losgemaakt en weer op de spil gezet, waarop het oorspronkelijk hoorde, als een rad loopen en zijn uitmuntende drijfkracht oefenen zal. Al spreekt het dus vanzelf, dat noch ons gevoel noch ons denken noch ons willen, zoomin onze karaktertrek als de neiging van ons wezen, voor de wedergeboorte anders dan in verwarring, ongelijk, en dies eer vernielend dan opbouwend werken kon, ze bestonden niettemin, deden al was het ook hun tegennatuurlijke werking, en werden bij de wedergeboorte niet uit ons genomen om door een nieuwen toestel vervangen te worden, maar op hun plaats gezet, in de richting gedreven waarin ze hoorden, ontdaan van hindernissen en dusdoende tot harmoniëuse werking in karakter,
vjin
de
staat gesteld.
Datzelfde geldt ook van die diepere wereld, die op den bodem van ons hart met onze persoonlijkheid in aanraking komt. Men is gewoon, dat innerlijk verborgen terrein met den naam van het gemoed te bestempelen, en eigen ervaring zegt ons, dat in dat gemoed ook ons geweten zijn zetel heeft. Dat gemoed vervult een driedubbele taak. Het biedt een terrein voor ons hart om met de onzichtbare, geesteliike wereld in aanraking te komen; het dient ons als schatkamer ter bewaring van diepe levensindrukken, die we ontvingen; eindelijk, het is de woonstede van ons eigenlijk ik, gelijk het als eigen persoon in zijn diepste kern bestaat. Het eerste behoeft nauwlijks herinnering. Behalve de zichtbare wereld is er een onzichtbare; daarvan leeren de zintuigen ons niets, het gevoel ontvangt er door de zintuigen geen indruk van, het is voor de uitwendige bewerktuiging van ons Avezen, alsof die wereld niet bestaat. Voor velen, wier gevoel geen andere indrukken dan van buiten ontvangt, bestaat ze dan ook ganschelijk niet. Zal men met haar in gemeenschap treden, dan moet ons hart een bewerktuiging naar binnen hebben, gelijk de zintuigen er ons een naar buiten bieden. Een ander oog, een ander oor, een anderen tastzin, een anderen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's