Heils termen - pagina 169
159 daad van heiliging voltrokken. A^oor het zedelijke leven toch beslist de afstand niets. Wel kan hij een openbaring en uitbreking van zonde, maar nooit die zonde zelve van ons afscheiden. Ook in den nieuwen levenskring kan ons hart voortzondigen in de oude, in de vroegere omgeving bevangen en verstrikt blijven, en dus alle heiliging derven, die alleen door een innerlijk breken met de zonde wordt volbracht. Feitelijk kan die afscheiding dus alleen door onzen persoon gaan, en door ons persoonlijk voltrokken worden. Een losgemaakt worden van de zonde buiten ons om moge zich in het afgetrokken
maar bestaat in de werkelijkheid niet. mysterie der samenvoeging van allen onder den. Christus, heeft de Heere tot die heiliging door onze eigene persoonlijkheid, door onzen eigen wil, door onze eigen daad, zich den weg bereid. Tot wat de zondaar niet was, heeft hij den wedergeborene gevormd:- tot een persoonlijkheid, die, van de banden der zonde vrijgemaakt, het goede wdl en met Paulus betuigt, vermaak te hebben aan de wet Gods. Intusschen die persoonlijkheid, dat nieuwe schepsel, is nog niet zijn Ik, gelijk het in deze wereld zich zelf bewust is. Integendeel. Tot aan zijn dood blijft dat Ik tegen het nieuwe schepsel in hem overstaan, en voelt hij zich eerst dan met dat nieuwe schepsel vereenzelvigd, als hij dat Ik wegdenkt, veroordeelt en doodt. Deze gespannenheid echter ware ondenkbaar, zoo dat nieuwe schepsel, dat kind Gods in hem, op zichzelf dreef, en eerst daardoor wordt de breking in zijn innerlijk wezen voorkomen, dat dit nieuwe schepsel met alle kinderen Gods, in en onder den Christus samengevoegd, zich gedurig door de aandrift zijns Geestes, als zijn ware persoonlijkdenken
laten,
Krachtens
heid in
Door
het
hem geldend maakt. zijn aardsch bewustzijn, geloofs. Voor
strengelt zich allengs het bewust-
dat, aan zijn geboorte gebonden, naar de afmetingen der zondige wereld zich regelt, staat zijn Ik tegen den Christus over en komt de heiliging dus als een uitwendige daad tot en over hem. Daarentegen voor zijn geloof, dat, aan zijn geboorte uit den geest gebonden, naar de eischen van Gods Koninkrijk werkt, staat hij in den Christus tegen vleesch en wereld over, waarin ook zijn zondig Ik bevangen ligt. In het geloof stemt dus zijn vrije nieuwe persoonlijkheid, die van den Godmensch niet kan gescheiden worden, der wet Gods toe dat ze heilig en volmaakt is, en met den Christus zijn vloek over zonde en ongerechtigheid deelend, werkt ze in en met Hem, om de beginselen en roerselen en aanlokselen der wereld te kruisigen, te dooden en te begraven. Hoe volkomen intussohen de eigen werking in de diepte des geloofs ook met de werking des Heeren samenvalle, in het leven der werkelijkheid gaan die beiden telkens uiteen. Wij zijn geroepen te denken, te spreken, te handelen, te mijden, en van oogenblik tot oogenblik roept Gods Woord en Geest ons op, om de scheiding van de zonde
zijns leven des
uit
het
vleesch
zijn bewustzijn,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's