De leer der Verbonden - pagina 198
188 gedoopt worden in den naam des Vaders, zoo betuigt en verzegelt God de Vader, dat Hij met ons een eeuwig Verbond der genade opricht, ons tot zijn kinderen en erfgenamen aanneemt en daarom van alle goed verzorgen en alle kwaad ten onzen beste keeren zal. En als wij gedoopt worden in den naam des Zoons, zoo verzegelt ons de Zoon, dat hij ons wascht in zijn bloed van al onze zonden, ons in de gemeenschap zijns doods en zijner wederopstanding inlijvende, alzoo dat wij, van al onze zonden bevrijd, rechtvaardig voor God gerekend worden. Desgelijks als wij gedoopt worden in den naam des Heiligen Geestes, zoo verzekert ons de Heilige Geest door dit heilig Sacrament, dat Hij bij ons wonen en ons tot lidmaten Christi heiligen wil, ons toeëigenende 'tgene wij in Christo hebben, namelijk de afwasschinge onzer zonden en de dagelijksche vernieuwinge onzes levens, totdat wij eindelijk onder de Gemeente der uitverkorenen in 't eeuwig leven onbevlekt zullen gesteld worden." Geheel deze schat nu van verzoenende genade, heilig, heerlijk leven en de fijnste keur van geestelijk goed kleeft in en aan het Verbond. Alleen door en in dat Verbond bindt God dien aan de ziel, brengt God dien met een goddeloos schepsel, dat in „zonden ontvangen en geboren en daarom de verdoemenis deelachtig is", in verband, en ontstaat er alzoo verband tusschen u en dien heilschat van geestelijke wij
ons
heerlijkheden.
De aanbinding van
den band zelf van het Vertrouw. God belooft het God dat spreken, dat zeggen, dat zegt: „Ik zal dit beloven Gods is de vastigheid. Daar kan geen andere vastigheid bij. Hoogstens kan ze door eedzwering versterkt worden, gelijk de Heere onze God ze, ons ter zielssterking, dan ook door eede gesterkt heeft. bond,
d.
w.
z.
dien band
ligt in
Woord van Gods en dat doen." En
in het
Wat nu van 's menschen zij aan dat Woord Gods beantwoordt en op dat zeggen, spreken en beloven Gods slaat, is en kan niets anders zijn dan het geloof. Als ik iemand iets beloof, heeft hij niets ter wereld aan die belofte, tenzij hij mij geïooii. Vandaar dat iemand, die merkt hoe de persoon, aan wien hij iets beloofde, hem nog twijfelend aanziet, vanzelf aan hem vraagt: „Gelooft ge mij dan niet?" Dit is nu ook alzoo waar God de Heere iets aan zijn schepsel belooft. Ook daar is de eenige daad, die van des zondaars zij hierop volgen kan, dat hij God alsnu op zijn Woord ^eloove. Men bega dus nimmer de fout om, gelijk zoovele huidendaagsche predikers, zich het geloof als een soort leven voor te stellen, dat in ons overgeplant wordt. Dat heeft er niets van. Het geloof hoort bij het Woord. Indien God niet eerst tot den mensch sprak en hem iets beloofde, kon er geen ^é-looven van 's menschen zij plaats grijpen. Het geloo-
ven hoort dus bij het Woord, is dus aan het Woord gebonden, kan eerst dan volgen als het Woord vooraf is gegaan, en is en blijft, hoe ver en hoe diep zijn werking zich ook uitstrekke, in oorsprong en
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's