Practijk der godzaligheid - pagina 49
:
41 bestemd om aldoor de inwoners van dit dorp te voeden. Niet alleen de inwoners van nu, maar ook de inwoners die daarna zullen komen. En bovendien, die akker is u niet in wilden, maar in ploegbaren staat overgegeven, door de moeite en den arbeid van uw voorouders daartoe bereid. Zoomin dus als een woestijnreiziger een put verderven mag, denkende: „Ik kom hier toch nooit weer!", en zoomin een Alpenreiziger een brug over den woudstroom in brand mag steken, denevenmin mag kende: „Ik heb er toch geen dienst meer van," een landeigenaar den akker verwaarloozen of uitputten, denkende „Als ik er maar van leef!" De baatzucht wordt hier dus onder den toom van een hooger beginsel gebracht. En dat hooger beginsel, die hoogere gedachte is, dat zulke goederen als een akker, een bosch, een mijn, een put, een brug, enz. gemeenschappelijk bezit van de menschheid, d. i. van de elkadr opvolgende geslachten, en niet het particulier, privaat bezit van den eenling of den enkelen mensch zijn, die er naar willekeur mee zou kunnen handelen. Yat men dit nu eenmaal goed, dan zal men, zonder veel inspanning, ook op den akker der Waarheid, en de manier waarop de kerk dien akker der Waarheid te verzorgen heeft, een juist oog krijgen. Ook van de Waarheid toch getuigt de Heilige Geest in Psalm 78 in geheel gelijken zin: „7A; zal verborg enheden overvloedig uitstorten van oudsher, die wij gehoord hebben en weten en onze vaderen ons Wij zullen het niet verbergen voor hunne kinderen, verteld hebben. opdat het navolgende geslacht voor het navolgende geslacht, die weten zou, de kinderen^ die geboren zouden worden., en zouden opstaan en vertellen ze hunnen kinderen, en dat zij hunne hoop op God zouden stellen.'' Ook die Waarheid is dus een schat, een mijn, een kostelijk akkerveld. Een akkerveld met voedende bestanddeeleu er in. Yoedende bestanddeelen die er onder goede bebouwing aldoor uit op kunnen groeien. En die, behoorlijk vermalen en toebereid, de zielen van Gods uitverkorenen van den honger bewaren, en nog iets overlaten voor de omdolende wereld, die wel honger heeft, maar zonder haar honger te kennen. En, zóó beschouwd, dat voelt ieder, dan wordt Gods Woordy waarin die akker der waarheid voor ons ligt, een schat van gansch uitnemende waardij. Dan is het die Schrift waar de zielen van leven. De zielen zijn ook assimileerend. D. w. z. ze zijn niet dood als een steen, die, wat hij eens heeft, houdt, schier zonder stof te wisselen. Neen, maar een ziel leeft, ze is er op aangelegd om in zich op te nemen. Zij vraagt om spijs. Haar hongert en haar dorst. Wat zal nu dien zielen der menschen voedende spijs aanbrengen? Op wat akkerveld groeit het koren, rijpen de halmen, van waar aan die zielen der menschen het brood zal toekomen?
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's