Dat de genade particulier is - pagina 171
161 hij
kant
God mag worden thuis gezocht, maar van den mmsch. En overmits we nu
uitsluitend ligt aan den hier aan het eigenlijke,
punt genaderd zijn, waarbij de zenuw der Schrift en Gereformeerde waarheid zoo duidelijk bloot ligt, verzoeken we onzen lezers ten dringendste, op w^at nu volgt, een meer dan geteedere
fijne,
dus
der
wonen klem
De
te
leggen.
namelijk deze: Als een koning op elke schending van en op elke verstandhouding met den vijand den dood gesteld heeft; en iemand begaat dat dubbel misdrijf, dan is die koning in zijn volste recht, indien hij zulk een dan ook den dood terstond en rechtstreeks overkomen doet. Tot „gratie" is geen koning gehouden. De straf is naar het recht. Toen dus de Koning der koningen voor den mensch in Eden den dood gesteld had op elke krenking van zijn hoog gezag en op elke verstandhouding met den vijand Gods, d. i. den duivel; en die mensch desniettemin zich door dien „vijand van zijn Koning" tot zou die Koning der koningen dus in zijn ontrouw liet verleiden; volste recht zijn geweest, indien Hij, zonder iets meer, Adam met al de leyenskiemen die hij in zijn lendenen droeg, ter helle had doen zijn
zaak
is
souvereiniteit
—
—
varen.
Volstrekt ongehouden, onverdiend, eer duizendwerf verbeurd, was derhalve de goeddadigheid en goedertierenheid, die den Allerhoogste, dien „Heere der heeren," bewoog, een weg te ontsluiten, waardoor volkomen heil voor den mensch en gratie van de straf voor den zondaar verkrijgbaar is. Dat nu deed de Heere. Hij ontsloot een weg van „volkomen gratie" en die dan ook allen mensch weer ten eeuwigen leven zou gevoerd hebben en nog voeren, indien hij den mensch nu maar de wil en de gezindheid werd gevonden, om dien weg in te slaan. Naar zie, dat bleek nu juist anders. Want in plaats er van, dat alle zondaars nu ijlings in aanbidding en dank voor dien God vol gratie zouden uitbreken en er om wedijveren, wie het eerst dien weg op zou gaan, bleek het dat niemand wilde; dat allen Gods heil rcrwirrpen;-eR dat er niet één eenige onder alle zondaren werd gevonden, of hij verhardde tegen die genade Gods zijn hart. Dat nu was natuurlijk de schrikkelijkste openbaring, die zich van het diep bederf der zonde denken liet. Des doods schuldig te zijn, en desniettemin gratie te ontvangen; om dan, in stee van dank, dien Ontfermer nog spot voor zijn genade te geven, dat is ij slijk! Zóó bleek het dan eerst recht, wat diep verdorven schepsel de mensch door de zonde geworden is; hoe hard zijn hart tegen den Heilige stond; en tot wat volkomen machteloosheid zijn wil was ingezonken.
IV
11
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's