Het heil in ons - pagina 87
77
En
niet slechts dat indiervoege „geest, ziel
werken,
richting
nismen
maar ook de vermogens
en lichaam" in verkeerde
die aan elk dier drie orga-
door de zonde vervalscht en werken liefde wordt zelfzuchtig of zinlij k; het verstand is verduisterd, het gevoel is verontreinigd, en evenzoo de wil machteloos geworden; ja zelfs de zintuigen hebben hun adel verloren en onze lichaamskracht is, o ader den vloek, tot een schaduw verlaagd van wat ze eens was. Eindelijk, om er ook dit nog bij te voegen, naar den grondaanleg van der menschen verschillende karakters ziet ge beurtelings den een< n mensch zijn geest, een tweeden zijn ziel en een derden zijn lichaam tot hoofdzetel van zijn zondig drijven kiezen. Kiest hij het „lichaam" tot zetel van zijn zondig leven, dan verteert de zondaar in zinlijkheid; verdierlijkt zich; en komt om. Slaat hij meer in de „ziel" de tente voor zijn zonde op, dan vergaapt hij zich aan schijnkennis van wetenschap en eigengerechtige betrachting van deugd. En bouwt hij zich eindelijk de hutte voor zijn „zondig ik" op de spitse der bergen, in den „geest", dan is de kanker der hoovaardij in hem gevaren; gaat hij naar den duivel aarden; en lacht in zijn eigen verderf. Maar langs welken weg dit „dood zijn in zonden en misdaden" dit „vervreemd zijn van het leven Gods" zich ook uite, steeds schift het gif der zonde allereerst in ons ik, in onze „persoonlijkheid", in ons onnoembaar wezen, en niet slechts in de drie instrumenten (lichaam, ziel en geest) die ons ten dienste zijn of in de vermogens die aan deze instrumenten zijn verleend. Het kwaad tast wel ter dege óók die instrumenten van „geest, ziel en lichaam" aan en ontreddert wel gewisselijk óók die vermogens. Maar bij beide is dit slechts een afgeleid verderf, d. w. z. een verderf dat deels, als uitvloeisel van ons zondig wezen, deels als straf voor onze zonden, uit ons verdorven ik, in die bewerktuiging en in die vermogens indrong. Toch is de aldus neergeworpen zondaar allerminst een steen of blok.
nu
geschonken
verkeerd.
waren,
zijn
Het geloofsorgaan weigert en de
Integendeel, ook in die diepte zijner ellendigheid blijft hij „mensch." Hij zou zelfs niet zoo onuitsprekelijk ellendig zijn, indien hij het niet bleef. En hetzij hij nu verloren blijft of gered wordt, zoowel in die veroordeeling als bij die redding, handelt God met hem op menschelijke wijze, d. w. z. houdt de Heere rekening met den aard zoo van
wezen als van die instrumenten en vermogens die de Heere hem mensch gegeven had. De overblijfsels, zooals onze belijdenis het noemt, van het beeld Gods in hem, handhaven ook in zijn verdorven zijn als
„menschelijke" natuur als zoodanig. Hierdoor is het karakter van Gods heilsopenbaring dan ook bepaald. Zoowel van die historische openbaring, waarvan de afbeelding in de
staat zijn
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's