Honig uit den rotssteen - pagina 199
;
185
maar telkens afstuitend op de droeve klacht over geesteloosheid en inzinking en afmatting van binnen, niet waar? dan denkt ge er toch ook voor uw ziel nooit aan, om den strijd van binnen te staken en het aan Satan gewonnen te geven maar, hoe weet ge zelf niet, gaat het onder die inzinking altoos door naar hooger, heiliger, heerlijker zielsstaat; wel niet voor uw altijd aanklagend bewustzijn, maar toch feitelijk in uw stand voor God. En hoe dan dat zonderlinge in 's menschen arbeid te verklaren ? Te verklaren, dat hij schijnbaar altijd met den stroom terugdrijvend, toch vooruitkomt ; bij al wat ontmoedigt, toch den moed houdt en tegen wat voor oogen is in, toch het niet opgeeft, maar eikels hlijft planten, waarvan zijn oog de kroon nooit zal zien groenen? Dat, lezer, wordt u alleen verklaard door het geloof. Door het geloof, dat het alles juist anders en omgekeerd is dan hij het met zijn oog waant te zien. Het geloof, dat niet hij werkt, maar dat de eigenlijke Werker van alle ding is Ood de Heere ; en dat hij in de hand van dien almogenden Werker nog veel minder en veel onbeduidender instrument is, dan de beitel in de hand van den beeldhouwer. Het geloof, dat al ons werken, al ons trachten en pogen, toch niets nut en tot niets leiden kan, of het moet gaan onder inspiratie van boven; op heiliger intuïtie aan; om het oog geblinddoekt, maar ongemerkt door onzen God omgeleid met de onzichtbare leidzeelen der eeuwige wijsheid en der teederste liefde. Zie, alleen wie er zoo aan toe staat in zijn ziel, arbeidt rustig door en vraagt naar geen uitkomst. Die denkt: „De eigenlijke werker is toch de Heere mijn God. Niet ik voed mijn kinderen op, maar God doet het. Niet ik onderwijs op school, maar de Heere is de onderrichter. Niet ik predik, maar de Heere zelf doet zijn Woord uitgaan. Niet ik behartig de teederste belangen mijns volks, maar die over zijn volk waakt is de Heere!" . En dan, als men daar een oog op krijgt, dan ja, gaat de arbeid van harte. Want die God blijft eeuwig, en al zinken wij neer en vallen weg, dan gaat toch zijn werk altoos door. Dan doet het er bespeurt,
;
dus
maar
niets
toe,
of ik
nu
resultaten
bij
mijn kinderen
zie,
als
God
ze
na mijn sterven. Ja, dan is mijn arbeid nog zelfs dan niet doelloos, als het Gode behagen mocht, om eerst in een geslacht dat daarna kwam, als door reactie, het zaad mijner opvoeding te doen ziet
rijpen. o, In dat geloof, dan is geen enkele arbeid doelloos; dan wordt elke arbeid kalm en met rustige kracht afgewerkt; dan let men niet
op de dagen maar op de jaren, niet op de jaren maar op de eeuwen, en ziet van personen en toestanden en oogenblikkelijke gelegenheden, altijd weer op de kern der beginselen, of wil men, op Hem, die,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's