Heils termen - pagina 143
133 deze vreedzame vriicLt der gerechtigheid, wat onder dit geheiligd worden," zij te verstaan. Mislukt is daarbij „door natuurlijk elke verklaring te achten, die den samenhang met het lijden van den Zoon verbreekt, en slechts dan zal deze uitnemend belangrijke zijde van het mysterie des lijdens doorzichtig zijn geworden, zoo naar
nut,
door
lijden
—
7 11, én van Hebreen XI en XII, en van Jacobus Y van Gods kinderen met beider nood en dood in onmiddellijk verband staat. Dit nu spreekt van zelf, noch bij de profeten en patriarchen, noch den Christus Gods, kan dit cïoel des lijdens gezocht worden, in bij hun gebracht worden tot een heiliger staat. Niet bij de profeten en patriarchen, wijl, „ze niet zichzelven maar ons bedienden deze dingen," en evenmin bij den Zoon, wijl een staat van minder heiligheid bij Hem geen oogenblik kan worden gedacht. Daarentegen toont én de geschiedenis der Openbaring zelve én de toelichting Avaarmeê de
den
het
eisch,
:
lijden
Hebreërbrief deze Openbaringsgeschiedenis begeleidt, dat het Mysterie lijdens, dat om onzentwil bij het altaar der verlossing in bloed en tranen doorworsteld is, de overplaatsing bedoelde uit de levensfeer dezer zondige, voorbijgaande wereld in de eeuwige volheid van het des
leven en de heerlijkheid Gods, en dat wel een overplaatsing van den geheelen mensch, eerst in de kern zijner ziel, straks voor zijn bewustzijn, eindelijk ook voor zijn uitwendige persoonlijkheid. Van de Patriarchen en Godsmannen des Ouden Verbonds wordt ons met nadruk gezegd, dat ze uit het tegenwoordige werden uitgedreven naar een ander vaderland, d. i. naar een andere levensfeer, en wel naar die sfeer der eeuwige volheid, wier Bouwmeester en Kunstenaar God is. Van den Zoon wordt ons gezegd, dat Hij nedergekomen is in deze voorbijgaande wereld, niet in schijn, maar werke-
zoodat Hij in deze wereld ons leven leefde, met prijsgeving van die heilige heerlijkheid, die Hij bij den Vader had voor eeuwig. En nadat nu eerst deze nederdaling van Christus- als een werkelijk overgaan in onzen toestand geteekend is, wordt de vrucht van het lijden des Zoons ons in deze korte woorden geschetst, dat Hij thans gezeten is aan de rechterhand des Vaders, dat wil zeggen in de levenssfeer, waaruit Hij nedergedaald was, thans ook als de mensch Jezus Christus gezet. Vergelijkt men nu hiermee wat én de Hebreërbrief én is Jacobus van het lijden der „zonen" verklaren, dan blijkt dat dit lijk,
met het van de Patriarchen en van den Zoon gezegde in volkomen harmonie staat. Want naar luid den Hebreërbrief is de gedachte die ons lijden beheerscht, dat we gekomen zijn tot den berg Zion en de levenden Gods, tot het hemelsch Jeruzalem; en Jacobus dringt, hiermee in volstrekte overeenstemming, de lijdzaamheid in het lijden aan, met den juichkreet: „Want de toekomst des Heeren stad
is
des
nabij !"
Deze overzetting nu,
dit overgeplaatst
worden in de zaligheid onzes
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's