Het heil ons toekomende - pagina 40
30
hunner harten geen ander doel, dan om een maatstaf te hun hoogen geestesstand. Ze lokken niet, maar stooten terug. Ze geven den beklemden van hart een indruk, alsof hun toebrenging onmogelijker dan het onmogelijke Geen hoop, maar wanhoop werpen ze in de geschokte ziel. zelf was. Het pas ontloken kiempje wordt door hun hoogheid van taal op den bodem des harten vertreden. Ze doen zeer, ze pijnigen die om hen zonder zelf het te weten, en in stede van balsem in de wonde zijn,
nauwdheid
leveren voor
te
druppelen,
maken
ze de
wond
der
ziel
telkens rauw.
Eenmaal in die ontferminglooze hardheid gevangen, gaat die stugheid des geestes allengs in een tweede phase over ze wordt hebbelijkheid. De hooge plaats in de geestelijke schatting zijner omgeving is ingenomen. Men worstelt niet meer, om die te veroveren of te behouden, maar gevoelt zich in het bezit van het begeerd en niet meer bestreden gezag, en spreekt dies zijn hoogheid meer in houding en voorkomen dan in opzettelijk woord uit. Het is of de ziel haar eigen gewaarwording in de trekken en plooien van het gelaat heeft afgedrukt. De opslag van het oog, de starheid van blik, de wijs zelfs van zich te bewegen en zich aan anderen voor te doen, draagt het stempel van een hoogmoed, die tweede natuur werd, en niet met anderen in aanraking kan komen, zonder hun den hoekigen kant van zijn eigenwaan schrijnend te doen gevoelen. Dit kwaad is erger dan het eerste. In de eerste phase was er althans nog een betoon van geestelijke kracht om zijn plaats te veroveren. Thans week ook dit. Er is geen uiting, geen levensbeweging meer, die nog soms, om de onbetwistbare meerderheid van geest, met zooveel zelfverheffing kon verzoenen. Daar komt bij, dat de stugheid van geest eerst, zij het ook zelden, maar dan toch soms, nog door een uiting van menschelijk gevoel en geestdrift voor 's Heeren naam werd afgebroken. Het moest een uit de rol vallen zijn, maar er was dan toch een oogenblik, dat die ondragelijke beminnelijk werd en zegenend op anderen werkte. Daarentegen, eens hebbelijkheid geworden, gaat ook die vrucht der minlijke ongelijkheid te loor. De ijskorst is over den stroom dicht:
golf kan den kop meer boven den spiegel verheffen. daaronder nog soms stuwen en bruischen, maar zelfs de minste schudding van die levensbeweging krijgt men niet meer te zien. Ook in oogenblikken dat alle gedachte aan hoogmoed verre is, staat toch de demon van zelfverheffing nog op het gelaat. Zelfs als men zich nog poogt te vernederen, gluurt de booze hoogheid uit alle trekken van het zich neerbuigend hoofd. IJskoud hoort men zulk een spreken over de niet toebrenging der duizenden bij duizenden om hem heen. Geen hand wordt zelfs in
gevroren.
Het moge
Geen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 266 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 266 Pagina's