Honig uit den rotssteen - pagina 27
!
13 zijn gewone voedsel, om zijn dagelijksch brood, eiken morden Heere zou roepen, ja, ik herhaal de vraag, waar wordt dat nog gehoord? Och, onze trouwe "Vader in de hemelen is er te rijk in barmhar-
men om gen
tot
tigheden voor.
Van hongersnooden
heeft Hij de landen van zijn Christenvolk bijna Dat iemand van honger omkomt is een uiterst droeve zeldzaamheid onder de gedoopte natiën geworden. Gebrek, in den zin van angst hoe men het leven behouden zal, wordt er bijna
ganschelijk
verlost.
uitsluitend in de zeer groote steden doorgestaan. En verre, verreweg de meesten, komen, leven en sterven weer, zonder ooit in hun leven
eigenlijken honger te hebben gekend. God is zoo goed. Hij geeft den stok en staf des broods zoo mild, zoo vloediglijk, dat het ons te
moede wordt
rijk,
zoo over-
alsof „dat dagelijksch
brood"
een gave die ons eiken morgen in den schoot valt. Wel vergeet ik daarom die duizenden bij duizenden niet, die hard, die aldoor, die in het zweet huns aanschijns dat „zure stukje brood," dag aan dag, voor vrouw en kroost verdienen moeten. Maar och, men zou zich ganschelijk vergissen, indien men in die kringen nog eiken morgen een afsraeeken van het „dagelijksch brood" verwachtte. „werk" als er geen geld is, wordt nog gebeden. Want „werk een vanzelf heid
is,
Om
geven" kan men zich dan denkt men, komt
Maar
zelf
niet.
het
„geld,"
en
als
dat werk er
voor dat
maar
is,
o,
geld het „brood"
vanzelf wel.
En
naar de meesten het zich in die kringen voorstellen, komt het nog van „de goede menschen," brengt vader het brood in huis, en geeft God de Heere daar niets bij dan „den zegen!"
werk
eigenlijk
dit zeer ongeloovig gesproken is, springt in het oog Alsof ge met al uw geld ook maar de macht zoudt hebben, om zooveel graan te laten groeien, als er aan meel in een bolle broods gaat Alsof er om dat „brood" uit te vinden, uit te denken, d. w. z. om een voedingsmiddel te scheppen, dat zoo paste en voegde bij wezen, en dat nooit walgt, maar altijd zijn smaak blijft 's menschen houden, en alzoo metterdaad, naar de Schriftleer, „de stok en staf" is, waarop onze menschelijke existentie leunt en gaat en steunt, alsof, zeg ik, voor dat uitdenken en scheppen niet een wijsheid en wetenschap noodig ware, als gij met al uw slaven en sloven nooit verwerven kondt! En alsof er ook dan nog niet een goddelijk beschikken en regelen van Gods Voorzienigheid noodig ware, om te maken, dat er in elke stad en in elk dorp eiken morgen juist zooveel gebakken brood s;ereed ligt en nu uit den oven naar de broodkast in al die
Nu, dat
!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's