Dat de genade particulier is - pagina 200
190
En
het is dan ook waarlijk niet om de moeilijkheid op te lossen, alleen ter vingerwijzing naar beter inzicht, dat we onzen lezers afvragen, of ze er ooit over hebben nagedacht, waar eens 's menschen
maar
wil begint! of die wil ook dieper liggende wortelen heeft? En of het aan iemand, ook maar aan den wijste onder ons, gegeven is, om uit te maken, tot hoever de vezelen van die wortelen, en dus altijd nog de levenskracht van onzen wil, tot in het verleden van ons aanzijn terugwerkt? Te zeggen toch: „Mijn wil begint eerst als ik weet wat ik doe!" zou al te poorterachtig geoordeeld zijn Met zulk een oppervlakkig gekeuvel scheept ge „Gods kinderen die zijn Woord kennen" niet meer af.
toch
III.
SLECHTS WEINIGEN. Hij
kan zich zelven
niet verloochenen. 2 Tim. 2 13. :
Reeds meermalen lieten we het plan doorschemeren, om als aanvulling van de „particuliere genade" later opzettelijk de Verbondsleer ter sprake te brengen. Zonder de leer der Verbonden toch is de leer eener op bepaalde personen gerichte genade gansch onprofijtelijk; en door de Verbondsleer dat tal van bedenkingen, die geis juist meenlijk tegen een particulier bedoelde genade worden ingebracht, beur ongezochte weerlegging vinden. Toch schijnt het niet geheel overbodig, dit nogmaals te herinneren. Althans onder de vele bedenkingen, die men zoo vriendelijk is ons van meer dan eenen kant, aldoor toe te zenden, komen er telkens voor, die we eerst dan, als we aan de Verbondsleer toe zijn, bespreken kunnen. Zoo b.v. om er slechts één enkele te noemen Het bezwaar ontleend aan het Doopsformulier. Bescheidenlijk moeten we dezen belangstellenden broederen dus verzoeken, ons voor de oplossing van veel, dat hen drukt, wel uitstel te willen gunnen, tot we aan de Verbonden toe zijn. Thans bespreken we uitsluitend de rechtstreeks tegen de hoofdzaak opkomende bedenkingen, en kunnen dus reeds in een volgend artikel tot het bespreken van de bepaaldelijk tegen ons ingebrachte Schriftuitspraken overgaan, na voor ditmaal nog deze ééne overgeblevene bedenking onder de oogen te hebben gezien: „of er dan namelijk, indien God er meerdere n of ook allen had kunnen zaligen, toch geen wr eedaar dig e willekeur in God gesteld wordt, bijaldien men leert, dat Hij er slechts weinigen zaligen wilde V' het
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's