Dat de genade particulier is - pagina 232
evenals Jezus opgetreden zijn en gesproken hebben te midden van Joden, die zich vastelijk en stelliglijk inbeeldden, dat alleen een Jood deel aan de zaligheid kon krijgen. Vandaar kwam het, dat zij rusteloos en al gedurig de groote waarheid herhalen moesten: „Neen, o Joden, niet alleen zij die van uw natie zijn, maar „een iegelijk die gelooft" kan zalig worden. De ontfermingen en barmhartigheden Gods zijn niet tot de enkele Joden beperkt, maar gaan over allen." Begaat men nu echter de groote fout, om bij het lezen der Schrift het milieu uit het oog te verliezen, waarin de heilige schrijvers gesproken hebben, dan ligt het voor de hand, dat men deze doorloopende tegenstelling tegenover Israëls particularisme niet mee in rekening brengt, en natuurlijk dan kan men niet verstaan wat bedoeld is en
men
interpreteert
zijns
En komen we klassieke
ondanks
na
dan,
Schriftplaatsen,
dit
die
gezegd
te hebben, terug op de drie den aanvang van deze artikelenTim. 2 3 en 3 Petr. 4, 1 Joh. 3 vooraf een woord van beklag van het
we
reeks bespraken, te weten op 1 3 dan moet ons hierbij 1, :
valsch.
in
:
:
hart.
Men sterk
heeft
namelijk
het
sprekende
doen
voorkomen, alsof we destijds deze hadden gehandeld en er ons
Schriftplaatsen reeds af
woord over hadden gezegd. Dit nu was volstrekt niet het geval. Eer integendeel stond er uitdrukkelijk bij, dat we vóór alle dingen even moesten aantoonen, dat deze Schriftplaatsen, waarmee de Universalisten gemeenlijk hun zaak als uitgemaakt beschouwen, en die er sommige menschen toe brachten, om niet eens verder over de zaak te willen hooren, volstrekt niet zoo muurvast en onomstootelijk de „algemeene genade" leerden, maar wel terdege voor tegenspraak vatbaar, aan bedenking onderhevig waren, en zeer wel een andere verklaring toelieten. Het sprak dus wel vanzelf, dat deze bespreking een geheel voorloopig karakter droeg; en door een latere behandeling zou worden laatste
gevolgd.
Daaraan thans toegekomen, beginnen we met 1 Tim. 2 4, om een maal de Schriftplaatsen met het woord „wereld" naar aanleiding van 1 Joh. 2 3 op te nemen; waarna men ons vergunne :
volgend
:
2
Petr.
2
:
1
te
verschuiven tot we toe zijn aan de leer des Ver-
bonds.
4 nu lezen we de bekende woorden: „God, onze In 1 Tim. 2 Zaligmaker, wil dat alle menschen zalig worden en tot de kennisse der waarheid komen", in vers 6 gevolgd door deze even stellige ver:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's