De leer der Verbonden - pagina 110
!
100 Heere
uitverkorenen had; en aan wier geestelijke bewerking liet gelegen liggen. Er dient dus ook gevraagd, wat had de mensch in Israël aan dit Sinaïtisch verbond voor zijn geestelijk leven? En dan moet geantwoord: Het Sinaïtisch verbond sprak ten eerste klaar en duidelijk uit voor deze menschen diezelfde wet der natuur, wier stem ze door de zonde niet dan onzuiver meer opvingen ten tweede ontdekte ze hun alzoo hunne onmacht ten goede met den daaraan klevenden vloek; was hun ten derde een teugel tegen de uitbrekende boosheid gaf hun ten vierde de verzoening in den genadeweg; en richtte ten slotte hun geloof op den Eenige van wien ook al Mozes' bedeeling profetie was. Toen dus in Sinaï's woestijn om den berg het geroep opging: „Al deze dingen die de Heere gesproken heeft, zullen we doen !" is dit deels het geroep van onbekeerden geweest, die in hun hoovaardij waanden in dien weg nog wel zelf het leven te kunnen vinden, en die het dus opvatten als een werkverbond. Maar ook deels de stille betuiging van God Heilige, in de verwachting der genade en met het oog op de verzoening die in dit eigen Sinaïtisch verbond bereid was. Zoo werd het dus den een een reuke des doods ten doode; maar den ander een reuke des levens ten leven. Een tuchtmeester tot Christus 7. Uit deze beteekenis van het Sinaïtisch verbond voor de enkele zielen onder Israël volgt tevens zijn beteekenis voor ons, nu nog. Immers één blijft alle eeuwen door de nood van ons hart, maar één ook alle eeuwen door de weg ten leven. En die beteekenis nu is: dat ook bij ons nog een ieder die niet weet in het genadeverbond te staan, voor zijn eigen besef nog in het werkverbond moet staan en deswege de wet klaar moet kennen; om, kennende die wet, den vloek te zien, dien dat verbond op hem legt; en vreezende dien vloek tot den eenigen Goël te vluchten. Het is dus volkomen waar, wat onze beste theologen steeds volhielden, dat het Sinaïtisch verbond, als tijdelijk van aard, alleen voor Israël verbindend gezag had, en niet is voor ons. Maar dit neemt niet weg, dat de wet van Sinaï, als uitdrukking van den eeuwigen onveranderlij ken wil Gods, en dus slechts als echo uit het paradijs herhalende wat van Adams dagen af gold, klem alle eeuwen door, klem voor een iegelijk heeft. Ja zoozeer klem, dat, de wet in ons door de zonde verduisterd zijnde, niemand ook nog in onze dagen tot de wetenschap en kennis van zijn innerlijke en peilloos diepe ellende komt, tenzij de wet van Sinaï in het Woord hem als een hamer op den rotsbodem van zijn hart komt. En 8*^. zal het hieruit dan nu duidelijk zijn, dat de evangelisten en apostelen er nooit aan gedacht hebben, om het Sinaïtisch verbond met het „werkverbond van vóór den val" te verwarren, en er door den de
zijn
Hij zich zeer bijzonder
;
;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's