Het heil in ons - pagina 166
156
Immers van welke zij ^e dit spelen met een iogebeelde volmaaktheid ook beziet, telkens zult ge, bij dieper inzien, tot dezelfde slotsom komen, dat het op een droevelij k dooreen warren berust, de bedeeling, die er was, de bedeeling rJie is en de bedeeling die komt. Gods werk en raad en plan was niet door een raachtdaad, op eenmaal, de zondige wereld weg te nemen en er een heilige wereld voor in plaats te scheppen. Ware dat zijn hoog beramen geweest, dan zou geheel de lijdensgeschiedenis der wereld en geheel de lijdensgeschiedenis van den Zone Gods geen zin hebben, en ware vernietiging van Adam en Eva en het scheppen van een nieuw menschenpaar eenig afdoend redmiddel geweest. Maar zoo deed de Heere niet, en zijn raad doelde er op om juist door dien stroom der zonde heen, op het zondig erf, in het zondig hart, en met zondige instrumenten, krachtens de mogendheid zijns Zoons, het heil te verwerkelijken. Dit kon niet en kan nog niet zonder stooten of schokken, als inleiding en besluit van een doorgaand proces. Vandaar
geen heil zonder het Wonder, eeen licht zonder de Ingeen roem zonder de Menschwording, geen gelooven zonder Wedergeboorte, en zoo ook geen heerlijkheid zonder de Toekomst van den Zoon. Hieruit ontstaan drie bedeelingen voor de gemeente en voor elk kind van God. Eerst de bedeeling dat nog niets dan het Woord in den zondigen toestand ingaat. Dan de bedeeling dat de kracht in den zondigen toestand indaalt. En dan eindelijk dat de zondige toestand zelf wordt losgemaakt van hetgeen door dat Woord en door die kracht was gespiratie,
wrocht.
ZooLing nu die losmaking nog toeft kan de genade nooit zóó blank den hooge nederdalen, of ze is reeds bij de eerste aanraking met deze aarde en dit mijn hart in haar zuivere glansen getemperd, in haar schoonheid ontsierd en in haar reinheid bezoedeld. Vandaar de ellende van Gods kerke op aarde. Vandaar de vertreding der heiligheden. En vandaar nu ook het worstelen der ziel met zonde totdat ze van deze aarde scheidt. Eerst dan, als we uit dezen onreinen dampkring zullen opvaren, en van dit bezoedeld gestoelte onzes vleesches zullen opstaan en van dit onreine instrument, waarmee we dusver God loofden, af zullen raken, eerst dan, niet eer, maar dan ook gewisselijk, zal geen spat de sneeuwwitte blankheid meer ontsieren van het kleed der heiligheid ons door Christus geweven, en zal het „vlek noch rimpel" op het aangezicht der ziele waarheid niet slechts in den spiegel onzer inbeelding, maar waarheid ook voor den Heilige zijn. uit
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's