Honig uit den rotssteen - pagina 84
!
70
En
toch dit hoeft zoo niet te blijven.
Of
liever nog,
dat
mag
zoo
niet voortduren.
Immers, onze krankheid is voor God altijd een onteering van zijn onze inzinking een oorzaak van bedroeving voor den Heiligen Geest; onze machteloosheid een bittere grieving voor den Zoon wiens de kracht is. En bovendien, de belofte des Heeren getuigt het immers: „Snellijk zal uw genezing uitspruiten," spreekt de trouwe Ontfermer, en „uw
Naam
;
voortbreken als de daymtad T' dus niet snellijk gaat, is het derhalve een bewijs, dat we, zij het al op den goeden weg, toch niet naar den eisch van den weg wandelen, en dus veel verdorvener en slechter zijn dan wc ons licht zal
Als
het
inbeelden.
En als ge daar nu aan wilt en van heeler Woord van God, wijs mij dan het betere en
Want
leid
mij
met
„o,
vaste
dus nederig van zin en klein in uw ziele en als een God zijt, dan helpt dat Woord u ook krachtdadiglijk. wanneer zegt de Heere bij .Jesaia, dat uw genezing snellijk
schreden!" ellendige
harte uitroept:
en voor
uitspruiten? Als gij Hem dagelijks zoekt? Neen, zeg ik u, want de Heere zelf geeft Israël getuigenis dat de tempel eiken morgen vol liep. Als gij ernstiger en stiller leeft? Al evenmin, want Israël kwelde zich de ziel en hoopte vasten op vasten. Als gij meer naar de kennis des Heeren onderzoekt? Och, ook dit is niet het beslissende, want ook daarvan sprak de Heere tot Israël: „Gij hebt lust aan de kennisse des Heeren!" „Neen, de hoofdzaak waarop het vermaan van het Woord neerkomt is: dat de i/odsvrucht iit uw wezen nioeht trekk<'u als de olie in het kleed Leugen zag de Heere in zijn volk. Ze liepen als een stroom Hem aan en dnchtcn dat ze het meenden; en ze meenden het toch niet. Ze waven er wel in en wel er bij, als ze het zeiden, maar dat zeggen welde niet uit de diepte des levens in hen op, en droop niet als de zalfolie van Aaron weer tot op hun kleederen neer. Hun belijdenis, hun gebed, hun loflied stond nog te hoog boven hen. Ze konden er niet bij. Het ging al heen over hun hoofden. En zoo kwam het dan allengs, dat ze twee levens leefden, het ééne, o, zoo vroom, zoo dwepend, zoo vol heiligen ijver; en daaronder en daarachter nog een ander leven, o, zoo arm, zoo machteloos, zoo laag En dat nu kan en wil de Heere onze God niet verdragen. Hij wil diamanten en niets dan diamanten, waarbij het vuur fonkelt zal
en de glans glinstert van uit de diepste kern, uit het hort. En nu staat het wel zoo, dat ons hart, ons diep bedorven ellendig hart eer op zwarte kool dan op helder diamant gelijkt, maar gelijk
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's