Practijk der godzaligheid - pagina 233
225 derhalve geen zin voor «vaarheid, en wie van „vasten" spreekt, doet kort aan de eerlijkheid der taal, indien hij daarmee iets anders bedoelt dan: het tijdelijk niet nemen van spijs of drank, die men gemeenlijk wel gebruikt, uit beweegredenen van godsvrucht. Zoo dacht ook Calvijn er over waar hij schrijft: „Maer opdat men in den naem niet dwale, zoo laet ons beschrijven wat vasten zij. Want wy en verstaen daerdoor niet alleenlick maticheit ende gesparichej^t in spijze, maer wat anders. Het leven der Godsalighen moet wel met soberheyt ende gesparicheyt gematicht zijn, opdat het in zijn ganschen loop een schijn des vastens uytgeve. Maer daer is bovendien een tydtlick vasten, te weten als wy \iit de te
gewoonlicke wyze van leven onszelven yet onttrecken, hetzy voor eenen dach, hetzy voor eenen vasten tydt, ende ons zelve'n een strenger ende nauwer mate in spijze ende dranck gebieden, dan wy gewoon zijn. Ende dit is geleghen in drie dinghen, te weten, in de tijdt, in de qualiteyt of hoedanicheden ende in de mate der spijse." Is het niet, alsof Calvijn vooruit de vervluchtiging van het begrip van vasten voorzien en gevreesd heeft, en stemt men niet toe, dat met Calvijns besliste uitspraak elke poging is afgesneden, om het vasten in soberheid des levens te verwateren? Wat dan wordt ons van dit vasten naar eigenlijke beteekenis, in
Gods Woord
g-eleerd?
II.
HET VASTEN NAAR DE SCHRIFT. Nu
dan, spreekt de Heere, bekeert u tot met uw gansche hart en dat met vasten en met geween en met rouwklagen. Mij
Joel 2
:
12.
De vraag, die voor ons alles afdoet, is ook ten aanzien van het vasten: Wat wil de Heere in zijn Woord? Wordt het vasten in de Heilige Schrift als onverschillig in het midden gelaten., als bijgeloovig afgekeurd, dan wel als dienende ter godzaligheid aangeprezen? Ter beoordeeling van deze vraag sla men 1. al aanstonds Exodus vier en dertig, één Koningen negentien en Mattheus vier op. De drie grootsche figuren van den Thabor, de gestalten die op den berg der verheerlijking zich aan het oog der discipelen ontdekken, de drie dragers bij uitnemendheid van de goddelijke Openbaring, kenden VI
15
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's