Heils termen - pagina 23
13 III.
GOD DE ALMACHTIGE, OF DE EERSTE VERBOND SN AAM. Ik ben aan Abraham, Isaak en Jakob verdoch met schenen, als God de Almachtige mijnen naam Heere (Jehovah) ben Ik hun Exodus VI 2. niet bekend geweest. ;
:
Iemands „Naam" en zijn „Wezen" moeten, gelijk ons bleek, volkomen samenvallen, zoodra we de verstorende werking der zonde wegdenken. Gelijk in een uurwerk alles verschoven, van zijn plaats gerukt en stuk gewrongen wordt, zoo ge den hoofdspil met geweld andersom draait, zoo ook moest de vernieling zijn die werd aangericht door de zonde. Ook zij toch is een geestesmacht die het kunstig samenstel van ons innerlijk wezen gewelddadig aangrijpt, den spil des levens in ons dwingt in tegenovergestelde richting te loopen, en daardoor alles wat met het menschenleven samenhangt, uit zijn verband rukt en juist het tegendeel doet worden, van wat het naar den wil des Scheppers zijn moest. Denken wij de zonde dus weg, en houden we uitsluitend het oog op den eeuwigen Raad Gods, en nemen we den „Naam" gelijk die op het breede veld van Gods bijzondere openbaring voor ons treedt, dan kan de „Naam" niet blijven, een geheimzinnig teeken, waarmee het wat hij thans veelszins is maar moet juist in tegenovergestelden zin, „Wezen" zich bedekt als de ontdekking, als de openbaring van het „Wezen" worden
—
—
opgevat.
Eéne
beperking
is
hierbij
intusschen
volstrekt
onmisbaar:
De
naam wordt
eerst openbaar, als het schepsel gevond.en wordt, dat die naam kan noemen. Hierop moet gedrukt Avorden, omdat het woord „Naam" anders zijn geheel eigenaardige beteekenis verliezen zou. Want natuurlijk, de „Naam Gods" is en blijft altijd die klank, dat woord, waarmee de mensch zijnen God noemt. Was het dien mensch derhalve mogelijk, door eigen waarneming en innerlijk gepeins Gods wezen te leeren kennen, dan zou de naam waarmee hij zijn God noemde, niets dan een klank zijn en een klank blijven, en van gelijkstelling tusschen „Naam" en „Wezen" zou geen sprake kunnen zijn. Maar dit is niet zoo. De Heiden wereld, in haar ouden en in haar modernen vorm, toont ons, hoe onmachtig de mensch is, om door eigen kennisneming tot kennisse van God te komen. Of men eertijds van Jupiter en Neptunus bazelde, of thans van een „Alwezen" spreekt,
neming ze
—
van
den
baat hier niet.
moet hem
gegeven
God De mensch kan
leert ons dit niets. Kennisde kennisse Gods niet nemen, worden. Geen „naam Gods" kan dus op onze
levenden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's