Heils termen - pagina 246
236 mijn
welbehagen
heb
!"
de tegenstelling van liet zoo roerend schrijft van zijnen „uitgang" en van de „aflegging zijns tabernakels," die hij wist dat door de martelaarsweën heen zouden gaan, „gelijkerwijs ook onze Heere Jezus Christus hem geopenbaard had." (2 Petr. 14 15). Voegt men nu bij dit alles het op zich zelf zoo raadselachtig verbod van Jezus, dat niets van wat op Thabor gezien was, aan anderen „mocht verhaald worden," eer Hij uit de dooden zou zijn opgestaan, en dat Jezus' eerste onderrichting na zijn opstanding juist de sterkste en meest in het oogloopende verwijzing is naar de bange levenswet: „dat de Zoon des menschen lijden moest, om alzóó in zijn heerlijkheid in te gaan," dan heerscht in deze verschillende trekken zulk een ongestoorde harmonie, dan vallen de lichtstralen hier zoo van alle zijden in éénzelfde brandpunt saam, dan wordt de aanduiding des éénen schrijvers hier zoo onverwachts door de uiting des anderen bevestigd, dat misschien weinig met zoo volkomen zekerheid vaststaat, als dit, dat, naar het getuigenis der Schrift zelve, de tegenstelling van 1 ij den en heerlijkheid geheel Thabor beheerscht. Intusschen moet ook deze, gelijk elke tegenstelling, in Jezus* persoon en leven tot verzoening komen. Lijden en heerlijkheid beginnen wel met tegenover elkander te staan, maar eindigen met vereenigd te worden in zijn l^^iligen persoon. De keus blijft niet „Lijden" of „Heerlijkheid." Verre van dien! De heerlijkheid is en blijft het einddoel, waarop alle daad zijns levens zich richt. Naar die heerlijkheid dorst Hij, die heerlijkheid bidt Hij van den Vader af. Tot die heerlijkheid zal Hij geraken. Hierover slechts loopt het verschil: Zal „lijden"
voorafgaat,
als
terwijl onmiddellijk
hij
:
die heerlijkheid zijn deel
Twee wegen openen der
heerlijkheid
worden
leiden;
of
zonder
lijden?
den Tempel
korte weg, zonder lijden, op Thabor, met het lijden, die over Jeruzalem loopt. Hij inslaan? Ze voeren wel beide naar de
een
maar ook een langere, Welken dier beide zal heerlijkheid, maar niet tot waartoe
met
zich voor zijn voet, die beide naar
eenzelfden
glans.
De
heerlijkheid,
Jeruzalem de toegang moet gezocht, is de Kro'on des Middelaars, een heerlijkheid, die wel „den Mensch Christus Jezus" toekomt, maar die zich toch geen oogenblik denken laat zonder de bijvoeging van Paulus aan Timotheüs „den Middelaar' Gods en der menschen." Het is die hoogste heerlijkheid, waarvan het zoo treilend schoon in den brief aan de Filippensen heet: „Daarom heeft Hem God uitermate zeer verhooo-d en heeft Hem een naam o-eo-even boven allen naam." Waarom? Immers om wat onmiddellijk voorafgaat, wijl Hij den uitgang te Jeruzalem gekozen had „gehoorzaam geworden zijnde tot in den dood." De andere heerlijkheid was een veel mindere, een schitteren, niet „boven den glans der zon," (Hand. 26 13), zooals nu zijn deel wierd, maar een blinken „als de zon," een komen tot ^e majesteit in
:
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 294 Pagina's