Dat de genade particulier is - pagina 247
237 Vroeger hier te lande, en nu nog in onze Oost, werd dat dan ook uitnemend wel verstaan en begrepen. Toen in den riddertijd der middeleeuwen negen tienden der bevolking van Europa nog onvrij was, en vreemde stammen de volken aanvielen en overheerschten, en alles in kasten was ingedeeld, maakte het juist de grootste kracht der kerk van Christus uit, dat zij onder die indeelingen der hoovaardij met het „alles uit éénen bloede" al optrad, en het „alle menschen" en het „een iegelijk die gelooft" weer hooren deed. Zelfs buiten de kanseltaal was men aan dat gebruik van dit „een iegelijk", in den zin van „zonder onderscheid van stand of kennis" gewoon. Er waren toch verordeningen niet voor alle menschen, maar alleen voor de ridders; bepalingen niet voor een iegelijk, maar alleen voor de geestelijken; en zoo ook ordonnantiën niet voor heel het volk, maar alleen voor de lijfeigenen en landzaten. Werd er dus eens een enkel maal een bepaling van gemeen recht gemaakt, waarbij dat standsonderscheid wegviel, dan moest er wel van „alle menschen" en „een iegelijk" gesproken worden, en wist een ieder best, wat daarmee was bedoeld. En zoo is het ook nu nog in onze Oost. Daar is een Europeër een heel ander en veel hooger mensch geacht dan de Javaan, terwijl de geïmporteerde Arabier tusschen beiden in staat. Ook daar weet een Javaan dus uitnemend goed, dat als er niet opzettelijk van „inboorlingen" wordt gesproken, niet hij, maar de blanke man bedoeld is. En evenzoo weet de blanke man, dat de rescripten voor den inboorling hem niets aangaan. Wil men in de Oost dus wel doen gevoelen, dat men niet uitsluitend de baboes maar ook de mevrouwen, niet alleen de zwarte maar ook de blanke mannen op het oog heeft, dan moet men dat er uitdrukkelijk bij zeggen, en men verplicht opzettelijk en met nadruk te spreken van „ieder is „alle menschen", „alle die maar mensch is", „een iegelijk mensch" inwoners", of dergelijke. Maar nu in ons democratisch land en in onze democratische eeuw alle scheiding van rang en stand schier wegviel, nu spreekt het evenzoo vanzelf, dat men bij ons het er bij zou moeten zeggen, als men niet alle menschen bedoelde en, zegt men er niets bij, vanzelf ondersteld wordt op alle menschen het oog te hebben. En komen wij nu uit zulk een wereld om ons heen, met ons spraakgebruik, tot de Schrift, wat is dan natuurlijker, dan dat we aan dat „alle menschen" enz. een geheel verkeerden, d. i. den ons :
;
gebruikelijken zin hechten?
Zoo doende komt onze ziel dan op het dwaalspoor. En het is in dat dolen onzer ziel bij het Bijbellezen, dat de geest, die eens Arrainius prikkelde, ook nu nog zijn hechtste steunpunt vindt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 270 Pagina's