Practijk der godzaligheid - pagina 44
36 alsof
die
kinderen,
als
individuen,
gedoopt werden. Zoo ondermijnt en belijden. Waar nu nog bij
men
en niet
als
leden der gemeente
practisch alle gemeentelijk geloof
komt, dat die kleine wichtjes zich twee uren lang stil kunnen houden, zoodat er meestal een onstichtelijk gewoel en heen en weer geloop en Zoo straft het zich vanzelf, is, dat al het plechtige er afneemt. geifil indien men het pad van de ordinantiën verlaat. Eisch is: het Sacrament bvj het Woord, in het midden der gemeente. Door daarvan af te gaan liep men spaak. Al even zonderling is wat men nog steeds in sommige kerken vindt, als het aan het Formulier toekomt. Drieërlei merken we op. Vooreerst het afraffelen van een paar pagina's ouden druk, op stuitend oneerbiedige wijs. Dat mag niet. Dat is niet ernstig. Dat is den „man Gods" onwaardig. Zulke prachtige, plechtige lapidairstijl wil plechtig gelezen zijn. Voor een Kamergriffier gaat zulk een binnensmonds aframmelen van een paar zijden schrifts, maar een Sacramentsbedienaar, die het zegel zijns Konings gaat zetten op de gemeente des levenden Gods, mag zich door geen griffiersmisbruik onteeren. Ten andere bestrijden we het fatale gebruik van anderen, om zoo op eigen handje het Doopsformulier te verminken. Er worden stukken uit weggelaten; er worden stukken in veranderd; er wordt hier en daar iets ingelascht. Nu, dat gaat niet. Een formulier wil zeggen: Nu gaat niet de persoon N. N. of ook niet de bedienaar N. N. spreken, maar nu belijdt de kerk haar belijdenis. Men heeft het dus Maar willekeur is buitengesloten. Daarte nemen of te laten liggen. gelaten nog, dat elk stuk onzin wordt, waar men op zulk een onbeholpen wijs meê omspringt. Eenigszins anders staat het met de gebeden in het Formulier. Gebeden blijven vrij. Het is dus geen vergrijp, als men die vrij bidt. Slechts komen we tegen twee misbruiken op. Er tegen op namelijk, dat men uit het voorgebed voor den Doop de heilige afschaduwing van den Doop in den Zondvloed en in Israëls doortocht door de wateren van de zee weglaat. Ook zulk een gebed toch is immers één stuk, dat genomen moet worden zooals het daar „Ik geloof aan die afschaduwing ligt; terwijl weglating aanduidt: niet ;" alzoo een wraken van het Woord. Maar ook komen we er tegen op, dat men het dankgebed weglaat, omdat dit niet te bidden zou Merk maar eens op, hoe juist ons Formulier „onze kinderen" zijn. en „deze kinderen" uiteenhoudt. „Onze kinderen", dat is het zaad der gemeente, zijn wedergeboren, zijn kinderen Gods, daar dankt men voor: maar deze kinderen, die wel in die qualiteit opkomen, maar omtrent wie niemand hoofd voor hoofd zekerheid heeft, daar bidt men voor. W'ie nu denkt te danken voor individuen voor wie men nog eerst bidt, die kan, ja, niet dan-
manr zelden
met
hun
vijftigen
ken. Edoch niet wijl het dankgebed niet deugt, maar omdat hij zelf nog doolt in de leer der Doopen. Zooals Voetius het uitdrukt: „De
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 272 Pagina's