Honig uit den rotssteen - pagina 114
100
want
voorafgaande
belijdt in het vlak
hij
vers,
„dat er bedrog in ziju
geest was."
Hij
dwaas
komt van
er
van achteren
hem gedaan
zelf
terstond te spreken en een muilezel, zoo erkent
onbewimpeld voor
om
toen in de schuld was, hij,
was
God te
als
ik,
dtiar bij
uit,
dat het alzoo
hem
stond, niet
„Als een paard, als een beest dat geen verstand vallen.
heeft."
En wat had stond?
hij
Hielp het
er
aan,
hem dan
dat
alzoo
hij
Nam
iets?
onoprecht voor zijn God
het zijn zonde
weg?
Maakte
het dat God zijn zonde niet wist? Leefde zijn ziel innerlijk onder dat „zwijgen," dat trotsche, hooghartige zwijgen, soms op? Eer integendeel, kwijnde zijn hart er onder weg. Zijn ziel was o, innerlijk geperst en vaneengereten. Het kostte hem zulk een spanning, om het tegen dat oog van den heiligen God uit te houden. Het maakte hem zoo rampzalig. Luister maar, hoe hij, toen eindelijk zijn doorbrak, als uit den dood in het leven, van uit den kuil in ziel de vreugde overging, en alsnu jubelt „o, Wat een welgelukzaligheid, :
overtreding vergeeft en zijn zonde l^edekt is. o, Hoe onuitsprekelijk zalig ben ik nu, nu de Heere mij de ongerechtigheid niet toerekent en er geen bedrog meer is in mijn geest!" En toch aan die gelukzaligheid, aan dat onuitsprekelijk heerlijke der genade had hij niet aangewild. Hij had liggen brullen den ganals
God iemands
dag, maar, onder al dat brullen door, had zijn ziel yezwyeu. had den Heere laten staan. Hij had het beproefd, om het tegen den Heere uit te houden. „En toen ik zweeg, zoo belijdt hij nu, werden mijne beenderen verouderd." Want ja waarlijk, tegen God in te gaan, het tegen God uit te houden, dat doet pijn, dat knaagt aan het merg in ons gebeente. Maar eindelijk kon hij niet meer; de hooge dijk van eigen trots brak door, en zie, daar vloeiden de wateren der genade weer over de velden. „Toen maakte ik U mijn zonde bekend, en mijn onge-
schen Hij
rechtigheid
bedekte ik niet langer. Ik zeide:
Ik zal spreken;
ik zal
doen van mijne overtreding voor den Heere !" en o, zalige zielservaring, toen die belijdenis maar over de lippen was, toen keerde opeens het geloof weer in, „ea Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde!" „Daarom, daarom," zoo jubelt nu de vrijgemaakte, „zal I' ieder ja, in een overloop van groote heilige aanbidden in vindenstijd wateren zullen ze hem niet aanraken!" Ln hij voegt er bij: „Verblijdt u dan in den Heere, gij rechtvaardigen! en zingt vroolijk (jij oprechten van harte!" belijdenis
;
bij
Zoo onderwijst dus de Schrift zelve ons, wat „oprechtheid van hart" Gods kinderen beteekent; hei wil namelijk zeggeu, dat ze niet bij
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's