Honig uit den rotssteen - pagina 324
!
310 zwoegt en tobt en zondigt, zonder
God
zelfs te
merken, dat er een levende
bestaat.
Ze dolen om, ze dwalen af, ze loopen rond, aldoor iets zoekend naar iets tastend en grijpend, ze weten zelven niet naar wat, en terwijl de lippen hun saam kleven van den koortsendeu dorst die hun ziel saamperst, zitten ze als Hagar vlak bij de bron neder, terwijl hun Israaël sterven gaat, en geen hunner merkt dat er een beek van heerlijke wateren daar vlak aan hun zijde vliet. Zonder lucht, met saarageklemde longen hijgen ze naar adem in het luchtledig van hun eigen ijlheden en nietigheden en ze merken er niets van en speuren er niets van, dat de gezoiidste lucht van Gods heilige bergen hen op twee passen afstands heerlijk omgolft en omst roomt. God moesten ze hebben. En hun God is er. En die God draagt ze en voedt ze en bewaakt ze. En die God strekt teederlijk de armen der ontfermingen naar ben uit. Maar zij hoeren niets, en zij merken niets. „Een os kent zijn bezitter, en een ezel de kribbe zijns heeren, maar de hoogstaande mensch heeft geen kennis en de zondaren verstaan niet!"
en
En ware
het dat
Doch zoo de
Niet:
Maar
:
nog maar
staat er niet.
mensch heeft geen kennis en de zondaren verstaan niet. is van kennis ontbloot en mijn volk derft wetenschap. belijders van Jezus, ons, geloovigen, komt de os bescha-
Israël
Ons,
ons,
men en
de ezel zijn verwijt brengen, ons, begenadigden, die niet van verre staan, maar door gadeloos erbarmen en telkens weer verbeurde genade, weer keunis van onzen God ontvangen hebben en wieu God licht schiep iu de duisternis van ons hart. Ons snijdt dat snerpend woord door de ziel, ons die nog een heel audereu ]5ezitter hebben dan de zondaren en een heel anderen Heer dan de goddeloozen. Zulk eenen die met zijn eigen bloed ons gekocht heeft en ons maakte tot zijn eigendom. En nu, dat spreekt vanzelf, van dien Bezitter hebben wij wel uiiwendigc kennis, ook wel een vermo^/cn om Hem te kennen, dat met het geloof onze ziel is ingeplant. Zonder dat waren we geen kinderen Gods. En het is tot niets nut en zou u den troost doen derven, indien ge u diets woudt maken, dat u óf geheel die uitwendige kennis óf dat ingeplant ver-
meer
mogen ontbreekt. Maar dit is liet, wat u
in de schuld moet brengen, dat die kennis u op het water drijft en zich niet mengt met uw innerlijk bestaan, en dat dit rijke gcloofsvermogen telkens j^'t'rA'c'/oos in u inzinkt in stee van te werken met kracht. als
een
oUedrup
bij
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's