De leer der Verbonden - pagina 44
34 dat vroomheid en deugd voortvloeien; veeleer niet zelden in botsing geraken; en dat nu de behoefte zich voordoet, om deze tegenstrijdigheid op te lossen. Wel meent de oppervlakkige wereld, dat dit dwaasheid is, en dat vroom zijn en braaf vanzelf bij elkaar hooren.
opvatting
volstrekt
van het leven,
niet
altijd
uit
al sterker gevoelt,
elkaar
Maar de dieper doordenkenden bevinden het anders. En alsnu naar een oplossing voor dit stuitende, soms tot wanhoop uitdrijvende probleem rondtastende, komen ze over en weer tot geheel tegenovergestelde oplossing, door óf aan de werking van Gods almacht in het hart haar geldig recht te betwisten, óf wel willens en wetens het oog te sluiten voor het zedelijk leven, dat zich in dat hart openbaart. Zelfs op godgeleerd gebied is die dubbele strooming merkbaar. Er zijn er aan de ééne zijde, die den dag reeds met vreugde tegenjubelen, waarop de laatste paragraaf der Dogmatiek naar de Ethiek zal verhuizen; en er zijn er anderen niet minder, die eigenlijk van oordeel zijn, dat heel de Moraal en de Ethiek beide eigen vindingen zijn van den Duivel. Uit alles blijkt dus, dat we hier wel terdege met een diep ingrijpend stuk uit de worsteling des levens te doen hebben; en mocht iemand meenen, dat het hier besprokene slechts een dorre afgetrokkenheid raakte, dien zij gezegd, dat er een worsteling mee gemoeid die, zal ook hij is, ooit ten leven komen, eens stormen moet ook door zijn eigen hart. Voor zoover nu een poging gewaagd mag, om over de donkere diepte, waarin deze beide beginselen met elkaar worstelen, het licht des Woords te doen schijnen, stellen we gaarne op den voorgrond, dat een zóó volkomene oplossing van deze tegenstrijdigheid, dat alle moeilijkheid wegviel, nog nimmer gegeven werd noch ooit zal gegeven worden. Zoolang het eeuwige en tijdelijke, het oneindige en eindige, het „zijnde" en het „wordende", of wilt ge, zoolang de Schepper en het schepsel, en dus ook God en mensch, als tegenstellingen bestaan en beleden worden, blijft dit zoo; blijft dit zoo eeuwiglijk. Het moment toch, waarop een mensch wanen zou alsnu den overgang van zijn eindig „niet" op den eeuwigen God volkomen te begrijpen, zou het moment zijn, waarop hij zijn God verloor. Daar is dus niets aan te doen. Dat mogen we zelfs niet anders wenschen. God de Heere, doordien Hij God is en als God menschen schiep, heeft door die scheppingsdaad zelf den overgang van den Schepper tot het schepsel voor eeuwig en altijd aan den blik van ons bewustzijn onttrokken. Door bidden kan die overgang van het schepsel naar den Schepper feitelijk gemaakt, maar ontleed kan die nimmer worden. In den Christus is die overgang belichaamd. Middelaar te zijn, dat is dien overgang in zijn persoon uit te drukken. Maar juist daarom is
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 242 Pagina's