Honig uit den rotssteen - pagina 163
!
149
God op en die worm murmureert goddelooslijk tegen den almachtigen Schepper van hemel en aarde. En zie, daarom, daarom nu moest uw Jezus zoo diep in het stof des doods worden gelegd Wat gij, om uw hoogmoedig hart, niet doen woudt voor uw God, dat zou Hij, uit erbarmen, komen doen voor u. zijn
Daar is hij de sterke held, de heerlijke Man in al de kracht zijner mogendheid. Leeuw uit Juda's stam en nu, die Leeuw laat de manen vallen die held werpt zijn pijlkoker weg die Man buigt het hoofd; bukt neder in het stof, en laat al den last des tooms Gods op zich neerkomen, tot hij er onder bezwijkt, en neervalt in het stof des doods, en nu als een verachte en vertredene, bij zijn kruipen in dat stof, den worm is gelijk geworden. Zoo was hij veracht en wij hebben hem niet geacht. Want wiens hart trilt nog van heilige verontwaardiging, als hij den Man daar hoort klagen „Ik ben een worm !" Neen, spreek mij niet van de bev,^ondering die het kruis dan toch wekte kom mij niet aan, met de liefde waarvan voor Jezus wordt !
;
;
:
;
gezongen.
Al dat oppervlakkig gekeuvel over die schrikkelijke indaling in den eeuwigen dood, is maar een doornenkrans te meer, dien ge den Man van smarten in het nog bloedend hoofd drukt. Die dat zeggen, verstaan het niet, peilen het niet, gissen het van verre niet.
Neen, een iegelijk, die het niet van den Vader geleerd heeft, om nameloos mysterie der onnoemlijkste smarten althans eenigszins doorgronden, die trapt dien Lijder nog op de borst, die treedt
dat te
dien worm nog iets dieper in het stof des doods, die vertreedt zijn bloed Niet een enkele, neen maar allen. Dat hebt ook gij, dat heb ook ik gedaan Er is er maar één, die dat niet meer doet, en die heet het wormpje Jacobs. Een „wormpje Jacobs," wie dat is? Och, dat is elke man en elke vrouw, dat is elke jonge en oude van dagen, dat is elke vrije en dienstbare, die eerst zichzelf wou handhaven, en dacht: „Zóó is het goed, Jezus de worm en ik de man;" en over wie toen de Heilige Geest is gekomen, om dat booze hooge hart te kneuzen, te slaan, te breken; tot het eindelijk zichzelf als een arm wormpke kennen leerde, en nu, zelf in het stof des doods nederliggend, het aan den eenig Dierbare gewonnen gaf en uitriep „Ik, de worm door Gods genade, en hij, hij alleen de Man.'* !
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1909
Abraham Kuyper Collection | 330 Pagina's